"FR Accountancy zorgt dat er
achteraf geen verrassingen zijn"

Nieuws

  • 14-02-2020 // Fiscaal afrekenen na overlijden echtgenote DGA

    De echtgenote van een directeur-grootaandeelhouder (DGA) overlijdt. Ze waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De DGA heeft alle aandelen in een pure beleggings-B.V. Hij ontvangt een aan de erfgenamen van zijn overleden echtgenote gerichte navorderingsaanslag inkomstenbelasting over bijna € 900.000, de helft van de meerwaarde van zijn aandelen.

    Omdat man en vrouw in gemeenschap van goederen waren getrouwd, hadden de erfgenamen het nagevorderde fiscale voordeel in haar overlijdensaangifte inkomstenbelasting moeten verwerken. Dat is niet gebeurd.  Wel hebben de erfgenamen de helft van de waarde van de aandelen correct in de aangifte erfbelasting opgenomen.  De erfgenamen gaan naar de rechter.

    Navorderingsaanslag niet mogelijk?
    Ten eerste stellen ze dat de Belastingdienst geen navorderingsaanslag mag opleggen. Waarom niet? Omdat de Belastingdienst had kunnen weten dat sprake was van een aanmerkelijk belang waarover bij overlijden zou moeten worden afgerekend. De Belastingdienst had de aangifte inkomstenbelasting zelf beter moeten controleren. De rechter oordeelt echter dat de aangifte inkomstenbelasting mogelijk juist was. De Belastingdienst hoefde er niet aan te twijfelen. Zelfs het feit dat er een jaar eerder bij de echtgenote inkomen uit aanmerkelijk belang in de aangifte was vermeld, betekent niet dat de Belastingdienst de overlijdensaangifte op dit punt nader had moeten onderzoeken.

    Navorderingsaanslag te hoog?
    Ten tweede stellen de erfgenamen dat de navorderingsaanslag te hoog is. Voor ruim € 151.000 zou sprake zijn van ondernemingsvermogen, waarvoor een doorschuiffaciliteit geldt. In het bewijs dat sprake is van ondernemingsvermogen slagen de erfgenamen echter niet. Ook slagen ze er niet in te bewijzen dat de werkelijke waarde van de aandelen lager ligt dan de intrinsieke waarde.

    Oordeel rechter
    De rechter komt tot de conclusie dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

    Tip: Als aandelen in een B.V. deel uitmaken van een huwelijksgoederengemeenschap, dient ook fiscaal afgerekend te worden als de echtgenoot die niet zelf aandeelhouder is overlijdt. Soms zijn doorschuiffaciliteiten van toepassing. Het is verstandig om tijdig de situatie bij eventueel overlijden in kaart te brengen. Daar helpen we u uiteraard graag bij.

  • 14-02-2020 // Teveel opgenomen uit eigen B.V.

    Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft aan zijn B.V. een rekening courantschuld en een schuld voor zijn eigen woning. De rekening courantschuld neemt elk jaar toe door privé-opnames en de rente over de schulden. Er zijn geen zekerheden gesteld en er is geen aflossingsverplichting. Als de schulden samen hoger zijn dan de totale winstreserve van de B.V. legt de Belastingdienst een naheffingsaanslag dividendbelasting op. De toename van de schuld in het laatste jaar wordt aangemerkt als netto-dividend.

    Volgens de B.V. is geen sprake van een (definitieve) onttrekking aan haar vermogen, omdat de DGA dit bedrag vrijwel direct kan terugbetalen, onder meer door herfinanciering bij een professionele geldverstrekker. De Belastingdienst denkt hier anders over.

    Wanneer is een opgenomen bedrag een uitdeling?
    Als een DGA voor persoonlijke doeleinden gelden uit de kas van de B.V. opneemt, kan daarin een winstuitdeling zijn gelegen als het niet de bedoeling was geweest dat de DGA het opgenomen bedrag aan de B.V. schuldig zal worden of het meteen duidelijk moet zijn geweest dat hij het opgenomen bedrag niet kan terugbetalen of verrekenen.

    Als de B.V. aan de DGA een lening verstrekt waarvan aannemelijk is dat deze niet kan of zal worden afgelost, moet deze lening worden aangemerkt als een uitdeling. Het bedrag van de lening heeft dan immers het vermogen van de vennootschap definitief verlaten. Dit wordt niet anders indien het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering uit de B.V.  of een opbrengst uit verkoop van de aandelen.

    Bewijslast
    Voor het in aanmerking nemen van een uitdeling, zal de Belastingdienst feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken waaruit volgt dat de lening niet kan of zal worden afgelost en de B.V. en de DGA zich daarvan bewust waren of hadden moeten zijn.

    Afweging rechter
    De DGA kan de toename van de rekening courantschuld niet terugbetalen omdat hij, los van de aandelen van de B.V. zelf, een zwaar negatieve vermogenspositie heeft. Volgens de DGA moet de waarde van de aandelen echter wel worden meegerekend. Deze opvatting volgt de rechtbank niet.

    De stelling van de B.V. dat de DGA een lening bij een bank zou kunnen krijgen om de toename van de rekening-courantschuld (deels) terug te betalen, volgt de rechtbank ook niet. De DGA heeft deze mogelijkheid immers niet benut zodat deze situatie zich hier niet voordoet.

    De Belastingdienst heeft aannemelijk gemaakt dat de toename van de rekening-courantvordering niet volledig kan of zal worden afgelost, omdat de DGA niet over voldoende vermogen en inkomsten beschikte om uit andere middelen dan het aandelenbezit in de B.V. de aflossing te voldoen.

    Tip: Hebt u een schuld aan uw B.V., houd er dan rekening mee dat de Belastingdienst het realiteitsgehalte jaarlijks kan toetsen. Meer lenen dan u feitelijk kunt aflossen, is fiscaal een probleem. We adviseren u graag over uw financiële verhouding met uw B.V.   

  • 14-02-2020 // Regulering van werk: rapport commissie Borstlap (4)

    Onlangs is het rapport van de Commissie Regulering van werk – onder leiding van Hans Borstlap - gepresenteerd. Het bevat vijf bouwstenen voor verbetering. Nummer een, twee en vier hebben we al besproken. De derde bouwsteen gaat over het voorkomen van kennisveroudering van werkenden. Wat stelt de Commissie voor?

    Kennisveroudering nieuw sociaal risico
    Kennisveroudering is, in een wereld die snel verandert, een nieuw sociaal risico dat bestreden moet worden. Volgens de Commissie is er nu geen regeling die alle werkenden, ongeacht de contractvorm, adequaat beschermt tegen het risico van kennisveroudering. Het bestaande fundament moet daarom worden aangevuld, zodat alle werkenden bij kennisveroudering, basiszekerheid wordt geboden.

    Ken iedereen persoonlijk ontwikkelbudget toe              
    Alle werkenden krijgen bij geboorte een gelijk individueel ontwikkelbudget dat beschikbaar is gedurende de gehele loopbaan. Iemand die een opleiding afrondt in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo'er) houdt hiervan na zijn schoolperiode meer over dan een universitair geschoolde werkende vanwege het verschil in kosten tussen beide opleidingen. Mensen kunnen hun ontwikkelbudget gebruiken om bij te blijven in hun vak of om een nieuw beroep te leren. Een verplichte, regelmatig terugkerende loopbaan-APK activeert werkenden hun budget te gebruiken zodat ze wendbaar en inzetbaar blijven op de arbeidsmarkt.

    Het is van belang dat het ontwikkelbudget gedurende de loopbaan van de werkende aangevuld wordt. De Commissie adviseert de transitievergoeding om te vormen tot een vergoeding voor extra persoonlijk ontwikkelbudget.

    Creëer een loopbaanwinkel die alle werkenden ondersteunt
    Om te bewerkstelligen dat het persoonlijk ontwikkelbudget door werkenden daadwerkelijk gebruikt gaat worden, moet een cultuuromslag plaatsvinden. De Commissie adviseert een landelijke organisatie op te richten die werkenden hierbij persoonlijke en onafhankelijke begeleiding en ondersteuning geeft. Via loopbaanwinkels of werkhubs moet Individuele loopbaanbegeleiding beschikbaar komen.

    Kom tot een geïntegreerde aanpak van het risico van kennisveroudering
    De Commissie beveelt aan het persoonlijk ontwikkelbudget en de loopbaanwinkel te integreren in het arbeidsrecht en het sociale zekerheidsrecht. Zo bereikt deze nieuwe aanpak ook groepen die hun menselijk kapitaal wel willen uitbreiden maar daar uit zichzelf onvoldoende in slagen.

    Het gaat om wederkerigheid. Deze bouwsteen is er op gericht dat:

    • werkenden zich blijven ontwikkelen, inzetbaar blijven op de arbeidsmarkt en werkgevers dat ook faciliteren;
    • werkenden met fysiek of psychisch zware beroepen zich tijdig omscholen en zo actief bijdragen aan het vermijden van het risico op arbeidsongeschiktheid.

    Tip: Het kabinet komt uiterlijk 1 april met een reactie. De Commissie heeft overigens lijnen willen uitzetten voor meerdere kabinetsperioden. We houden u op de hoogte.

  • 14-02-2020 // Regulering van werk: rapport commissie Borstlap (3)

    Het rapport van de Commissie Regulering van werk – onder leiding van Hans Borstlap – bevat vijf bouwstenen voor verbetering. Nummer een en nummer vier hebben we al besproken. De tweede bouwsteen gaat over contractvormen voor werknemers en zelfstandigen. Wat staat erin?

    Overzichtelijk stelsel van contractvormen (drie rijbanen)
    De Commissie adviseert om te komen tot drie soorten contracten, zodat het voor alle partijen duidelijk is welk type contact hoort bij welk type werk:

    • overeenkomsten voor zelfstandigen die werken voor eigen rekening en risico;
    • arbeidsovereenkomsten voor werknemers die voor (on)bepaalde tijd werken in dienst van een werkgever;
    • uitzendovereenkomsten voor werknemers in dienst van een uitzendbedrijf die tijdelijk werk verrichten dat niet of moeilijk voorzienbaar is.

    Afbakening tussen werknemers en zelfstandigen

    Naast het verkleinen van de verschillen in behandeling tussen werknemers en zelfstandigen  zijn geschikte en eigentijdse criteria nodig om deze categorieën werkenden van elkaar te onderscheiden. De manier waarop het werk feitelijk wordt uitgevoerd, komt centraal te staan. De contractvorm en de wil van partijen zijn niet langer relevant. Het gezagscriterium wordt verduidelijkt en gemoderniseerd.

    Oneigenlijk gebruik van driehoeksverhoudingen tegengaan
    In beginsel is de feitelijke werkgever van de werknemer ook juridisch de werkgever, met de bij hem geldende arbeidsvoorwaarden. Gebruikmaken van driehoeksrelaties, zoals payrolling, contracting, detachering of uitzending, waarbij de contractuele werkgever een andere partij is dan de eigenaar of exploitant van de onderneming waarin of waarvoor de werknemer werk verricht, kan niet zomaar meer. Concurrentie op loonkosten via driehoeksverhoudingen wordt zo tegengegaan.

    Bij uitzending door uitzendbureaus is het gerechtvaardigd dat een ander werkgever is, namelijk de uitzendwerkgever. Het uitzendbureau heeft namelijk een actieve rol bij het bijeenbrengen van de vraag naar en het aanbod van tijdelijk werk dat qua duur en omvang van tevoren niet of moeilijk te overzien is (allocatiefunctie). Hierbij blijft een verlicht ontslagregime gelden. Dit betekent niet dat de uitzendwerknemer tegen minder gunstige arbeidsvoorwaarden werkzaam is dan eigen werknemers van de opdrachtgever.

    Vergroot de opeisbaarheid van rechten voor werkenden

    Een ordelijke en eerlijke arbeidsmarkt is overzichtelijk. Zo kunnen werkenden hun rechten beter opeisen. De regels zijn kenbaar, duidelijk en goed te handhaven door bevoegde instanties. Werkenden krijgen laagdrempelige hulp om hun rechten te effectueren (arbeidsombudsman), zodat zij krijgen waarop zij recht hebben. 

    Tip: Het kabinet komt uiterlijk 1 april met een reactie. De Commissie heeft overigens lijnen willen uitzetten voor meerdere kabinetsperioden. We houden u op de hoogte.

  • 31-01-2020 // Afschrijving aanhorigheid bedrijfsgebouw

    Hebt u als ondernemer gebouwen in eigen gebruik, dan is de fiscale afschrijving beperkt tot 50% van de WOZ-waarde.  Maar hoe zit het met andere zakelijke bouwwerken bij deze gebouwen, als voor de gebouwen zelf die 50% van de WOZ-waarde is bereikt? Deze vraag kwam aan de orde in een proefprocedure die veehouders hebben gevoerd. De uitkomst is binnen het hele MKB van belang.

    Ondernemersvermogen
    Tot het ondernemingsvermogen behoren in dit geval onder meer een perceel grond, woning, schuur, loods, jongveestal, ligboxenstal, een (houten) mestsilo, strooiselhok, twee stierenstallen, erfverharding en plaat/sleufsilo’s. De Belastingdienst corrigeert de afschrijvingskosten van het strooiselhok, de erfverharding en de plaat/sleufsilo omdat voor de bedrijfsgebouwen als geheel 50% van de WOZ-waarde is bereikt. In de wet staat immers dat voor de afschrijving de onderdelen van een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden als één bedrijfsmiddel worden beschouwd.

    Aanhorigheden?
    Volgens de ondernemer zijn deze bouwwerken echter geen aanhorigheden. Een bouwwerk is volgens hem alleen dan een aanhorigheid als het onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar is aan het gebouw. Daarom kunnen de bouwwerken gewoon tot de restwaarde worden afgeschreven.

    Volgens de Belastingdienst zijn aanhorigheden alle bouwwerken die behoren bij, in gebruik zijn bij en dienstbaar zijn aan het gebouw.

    Oordeel rechter
    De rechter is het met de Belastingdienst eens. Het gaat er dus niet om of de bouwwerken onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar zijn aan het gebouw. De bouwwerken kunnen in dit geval niet los worden gezien van het bedrijfsproces van de onderneming. De correctie is daarom terecht toegepast.

    Tip: Overweegt u te gaan investeren in bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken, houd dan voor uw calculatie rekening met de wettelijke aftrekbeperking. We zijn u hier graag bij van dienst.