Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen?

Als registeraccountant volg ik jaarlijks diverse cursussen om mijn vakkennis uit te breiden en op de hoogte te zijn van de nieuwste wet- en regelgeving.

Hieronder vindt u het laatste nieuws uit de sector. Wilt u weten hoe dit op uw onderneming of persoonlijke situatie van invloed is? Neem dan contact met mij op.

  • 09-04-2021 // Werkgever niet aansprakelijk voor bedrijfsongeval

    Een steigerbouwer in loondienst kreeg opdracht om steigermateriaal van de derde verdieping van een fabriekshal naar de begane grond te transporteren. Daarvoor heeft hij niet de lift, maar tegen de instructies in de hijskraan gebruikt. Hij raakt daarbij gewond en stelt de werkgever aansprakelijk.

    Bewijslastverdeling aansprakelijkheid
    De rechter geeft een samenvatting van de rechtspraak rond aansprakelijkheid bij bedrijfsongevallen.

    De werknemer dient te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen.

    Als vast staat dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht.

    Slaagt de werkgever er niet in het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven.

    Hij kan dan evenwel nog aan aansprakelijkheid ontkomen indien hij stelt, en zo nodig bewijst, dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

    Van bewust roekeloos handelen is slechts sprake indien de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter daarvan daadwerkelijk bewust is geweest.

    Beoordelingskader
    Beoordeeld moet worden of de werkgever de op hem rustende zorgplicht jegens de steigerbouwer is nagekomen. Daarbij wordt vooropgesteld dat hij als werkgever die maatregelen moet nemen en die aanwijzingen moet geven die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Van een werkgever mag worden verlangd dat hij een hoge mate van zorg betracht, maar die vindt zijn grens in hetgeen redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

    Voor de omvang van de zorgplicht geldt als uitgangspunt hetgeen op grond van regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden van de werkgever wordt verwacht. De reikwijdte van deze zorgplicht wordt daarnaast bepaald door het ongeschreven recht. Het antwoord op de vraag of de werkgever zijn zorgplicht is nagekomen, is afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de te verwachten oplettendheid van de werknemer en de bezwaarlijkheid van het nemen van maatregelen.

    Toetsing in dit geval
    Het ongeval is gebeurd, nadat de steigerbouwer van de hijskraan gebruik had gemaakt. Hij wist dat voor het gebruik van een hijskraan een hijscertificaat verplicht is en dat hij niet over dat certificaat beschikte.

    De werkgever heeft de steigerbouwer op zijn eerste werkdag bij deze locatie een Veilig Werk Verklaring Steigerbouw uitgelegd en laten ondertekenen. In deze verklaring staat dat de steigerbouwer niet onbevoegd taken zal uitvoeren of bedrijfsinstallaties, machines en werktuigen zal bedienen. Op de nakoming is tussentijds ook toezicht gehouden.

    De werkgever hoefde, om ongeoorloofd gebruik te voorkomen, de hijskraan niet onbruikbaar te maken of uit te zetten of de afstandsbediening uit te zetten. Dat zou bovendien praktisch gezien onmogelijk zijn, omdat deze door veel andere werknemers met hijscertificaat doorlopend werd gebruikt.

    De werkgever heeft voldaan aan zijn zorgplicht en is niet aansprakelijk voor het bedrijfsongeval.

    Let op: Als vast staat dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht. De zorgplicht omvat instructie en daadwerkelijk toezicht op naleving.

  • 09-04-2021 // Vrijstelling overdrachtsbelasting starters

    Vanaf 2021 kunnen woningkopers die meerderjarig zijn en jonger dan 35 jaar gebruikmaken van de startersvrijstelling overdrachtsbelasting. Dat scheelt hen 2% van de aankoopprijs. De startersvrijstelling is eenmalig. Vanaf 1 april 2021 geldt voor de startersvrijstelling een woningwaardegrens van € 400.000. Voor kopers van 35 jaar en ouder en voor woningen boven de woningwaardegrens geldt een tarief van 2%. Voor beide regelingen geldt dat de koper zelf voor langere tijd in de woning moet gaan wonen. De Belastingdienst heeft twintig vragen over de toepassing van de nieuwe regels beantwoord.

    Top vijf vragen en antwoorden

    Vraag 1: A koopt een woning waar hij zelf in wil gaan wonen. Op het moment van de koopovereenkomst is A 34 jaar. Op het moment dat de woning aan A wordt overgedragen (datum notariële leveringsakte) heeft A inmiddels de leeftijd van 35 jaar bereikt. Kan A een beroep doen op de startersvrijstelling of gebruikmaken van het 2%-tarief?

    Antwoord 1: A kan in dit geval geen beroep doen op de startersvrijstelling omdat hij op het moment van de verkrijging van de woning de leeftijd van 35 jaar heeft bereikt. Voor de overdrachtsbelasting is dat de datum waarop de notariële akte van levering bij de notaris wordt opgemaakt en ondertekend. De datum van de koopovereenkomst is hierbij niet van belang. A kan wel gebruikmaken van het 2%- tarief als hij zelf voor langere tijd in de woning gaat wonen. Daarvoor moet hij de Verklaring overdrachtsbelasting laag tarief (2%) invullen.

    Vraag 2: A (30 jaar) verkrijgt in 2021 een appartement voor € 200.000. A geeft wel een verklaring af dat hij zelf voor langere tijd in de woning gaat wonen, maar hij wil de startersvrijstelling nog niet toepassen, omdat hij die bij een volgende verkrijging van een (duurdere) woning wil gebruiken. A wil nu 2% overdrachtsbelasting betalen. Kan dat? En kan A dan bij aankoop van die volgende woning gebruikmaken van de startersvrijstelling?

    Antwoord 2: Er bestaat geen verplichting om de startersvrijstelling te gebruiken. A kan er dus voor kiezen om niet de Verklaring overdrachtsbelasting startersvrijstelling in te vullen maar de Verklaring overdrachtsbelasting laag tarief (2%). A kan in dat geval bij de aankoop van de volgende woning alsnog gebruikmaken van de startersvrijstelling. Op het moment van de verkrijging van die woning moet hij jonger zijn dan 35 jaar en aan de overige voorwaarden voor de vrijstelling voldoen.

    Vraag 3: Is voor de toepassing van het 2%-tarief of de startersvrijstelling de intentie van de koper om zelf in de woning te gaan wonen voldoende?

    Antwoord 3: De intentie om zelf in de woning te gaan wonen is niet voldoende. De verkregen woning dient ook daadwerkelijk voor langere tijd bewoond te worden door de koper, tenzij blijkt dat dit redelijkerwijs niet mogelijk is vanwege onvoorziene omstandigheden die zich na de overdracht voordoen.

    Vraag 4: Hoelang dient het daadwerkelijk gebruik van de woning als hoofdverblijf, eventueel na voltooiing van een verbouwing, minimaal te duren voor de toepassing van het 2%-tarief en de startersvrijstelling?

    Antwoord 4: De koper moet de woning daadwerkelijk zelf voor langere tijd als hoofdverblijf gaan gebruiken. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Er geldt geen strikte minimumperiode voor het gebruik als hoofdverblijf. Als vuistregel kan worden aangehouden dat de woning minimaal een half jaar als hoofdverblijf moet worden gebruikt. In situaties van oneigenlijk gebruik kan dit anders zijn. In bepaalde situaties kan het dus voorkomen dat niet aan het hoofdverblijfcriterium wordt voldaan, ook al heeft de koper de woning een half jaar als hoofdverblijf gebruikt. Als uit de objectieve gegevens niet blijkt dat de koper de woning daadwerkelijk zelf voor langere tijd als hoofdverblijf is gaan gebruiken, geeft de inspecteur van de Belastingdienst de koper de gelegenheid aannemelijk te maken dat de woning toch is gekocht om er zelf voor langere tijd te gaan wonen en dat dit ook als zodanig is gebeurd of gaat gebeuren. De inspecteur van de Belastingdienst zal rekening houden met onvoorziene omstandigheden na de overdracht van de woning. Als onvoorziene omstandigheden ertoe leiden dat een koper niet zelf (voor langere tijd) in de woning kon gaan wonen, wordt de startersvrijstelling of het 2%-tarief niet teruggenomen.

    Vraag 5: A (32 jaar) verkrijgt op 1 juni 2021 (datum notariële leveringsakte) een woning. A is gehuwd met B (33 jaar). Kan de startersvrijstelling worden benut, als de waarde van de woning € 400.000 of € 700.000 bedraagt? Maakt het verschil of A en B gehuwd zijn in gemeenschap van goederen?

    Antwoord 5: A kan een beroep doen op de startersvrijstelling als de waarde van de woning niet meer dan € 400.000 bedraagt en aan de overige voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan. Als de waarde van de woning € 700.000 is, kan de startersvrijstelling niet worden toegepast, omdat de waarde van de woning meer bedraagt dan de woningwaardegrens van € 400.000 die vanaf 1 april 2021 geldt. A kan in dat geval wel gebruikmaken van het 2%-tarief als aan alle daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. B is geen verkrijger van de woning. Verkrijger voor de overdrachtsbelasting is namelijk alleen degene die in de notariële leveringsakte als koper is genoemd. Dat B in gemeenschap van goederen is gehuwd met A maakt dat niet anders. De boedelmenging die gelijktijdig met de verkrijging door A plaatsvindt als de woning tot een huwelijksgoederengemeenschap gaat behoren, wordt voor de overdrachtsbelasting niet aangemerkt als een verkrijging door B.

    Tip: Hier kunt u alle twintig vragen en antwoorden nalezen.

  • 09-04-2021 // Werknemer moet zakelijke ritten bewijzen

    Een medewerker rijdt in een auto van de zaak. Hij heeft een Verklaring geen privégebruik ingediend. Daarom houdt de werkgever over de waarde van de auto geen loonheffing in. De Belastingdienst vraagt de kilometeradministratie op. Die maakt de medewerker achteraf op. Deze voldoet niet aan de eisen en naheffing volgt. De rechter komt eraan te pas.

    Overwegingen rechter
    De rechtbank overweegt dat de medewerker vrij is in de keuze voor zijn bewijsmiddelen om te doen blijken dat hij de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. Een rittenregistratie dient niet bij voorbaat te worden verworpen indien deze niet aan alle vereisten voldoet. Maar een rittenregistratie in combinatie met andere bewijsmiddelen moet wel ten minste zodanig sluitend zijn dat daaruit eenduidig kan worden afgeleid hoeveel kilometers er met de auto’s zakelijk en privé zijn gereden.

    In dit geval bevat de achteraf gereconstrueerde rittenregistratie te veel onnauwkeurigheden. Zo heeft de medewerker het zakelijk karakter van ritten op feestdagen niet aangetoond, heeft hij niet per rit de werkelijke begin- en eindstand van de kilometerteller genoteerd en komen de kilometerstanden uit de rittenopgave niet overeen met de kilometertellerstanden van de garages. Bovendien heeft de medewerker voor veel voorkomende ritten steeds een gelijk aantal kilometers opgegeven, terwijl hij zelf heeft verklaard dat de verkeerssituatie niet altijd gelijk is.

    Dat de medewerker in privé beschikt over een auto en een motor, kan hem niet baten. Dit sluit immers niet uit dat (ook) met de auto van de zaak meer dan 500 kilometer per jaar in privé wordt gereden.

    De medewerker beweert nog dat hij niet wist dat hij zo nauwkeurig moest zijn en dat het vrijwel onmogelijk is om achteraf nog precies na te gaan hoeveel kilometers hij heeft gereden. Dat komt voor zijn rekening en risico. Hij wilde immers gebruik maken van een belastingvoordeel en had zich moeten verdiepen in de voorwaarden.

    Oordeel rechter
    De rechter is van oordeel dat, nu de medewerker niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, ten onrechte geen loonheffing is ingehouden en afgedragen op basis van het autokostenforfait, de zogenaamde bijtelling. Dat brengt mee dat de werkgever te weinig loonheffing heeft betaald. De naheffingsaanslagen zijn daarom terecht opgelegd.

    Let op: In de begeleidende brief bij de Verklaring geen privégebruik staat niet voor niets: u moet altijd overtuigend kunnen bewijzen dat u met de auto van uw werkgever niet meer dan 500 privékilometers op jaarbasis rijdt. Dat kan bijvoorbeeld met een sluitende rittenregistratie.

  • 09-04-2021 // Aftrek kosten advocaat echtscheiding

    In het kader van zijn echtscheiding heeft een man diverse procedures gevoerd tegen zijn ex. Alleen al voor procedures over partneralimentatie heeft hij € 30.000 advocaatkosten gemaakt. Een en ander heeft geresulteerd in een overeenkomst: over en weer zullen de ex-partners geen alimentatie verschuldigd zijn. Zijn de advocaatkosten aftrekbaar?

    Kosten die zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van partneralimentatie zijn aftrekbaar,  als daadwerkelijk alimentatie wordt verkregen. Maar is dat ook zo als vast staat dat de man geen alimentatie van zijn ex-echtgenote heeft ontvangen?

    Standpunt man
    De man stelt dat zijn advocaatkosten zijn gemaakt ter verwerving van alimentatie van zijn ex-echtgenote. Hij had namelijk in de procedures, nadat zij in eerste aanleg alimentatie van hem had gevorderd, in verweer van zijn ex-echtgenote alimentatie gevorderd. Dat pas later, door het sluiten van de overeenkomst, is komen vast te staan dat belanghebbende geen alimentatie van zijn ex-echtgenote heeft ontvangen, doet daar niet aan af. Voor aftrek van advocaatkosten is volgens belanghebbende niet vereist dat de procedure succesvol moet worden afgerond.

    Standpunt Belastingdienst
    Uit de stukken valt niet af te leiden dat sprake is van een wederzijdse alimentatievordering. De man is niet een procedure gestart ter verkrijging van alimentatie. De procedures gaan over de door de ex-echtgenote gevorderde alimentatie.

    Oordeel rechter
    De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de advocaatkosten heeft gemaakt tot verwerving, inning en behoud van alimentatie. Het is niet aannemelijk dat belanghebbende alimentatie heeft gevorderd van zijn ex-echtgenote. De omstandigheid dat iemand (in theorie) aanspraak op alimentatie zou kunnen maken, is onvoldoende om het bestaan van een alimentatievordering aan te nemen. De advocaatkosten zijn niet aftrekbaar.

    Let op: Advocaatkosten tot verwerving, inning of behoud  van partneralimentatie zijn aftrekbaar. Maar het moet wel gaan om een reële vordering van partneralimentatie.

  • 26-03-2021 // Ondernemers met gezamenlijke BV

    Een aantal zelfstandige rentmeesters werken samen via een gezamenlijk gehouden BV. De BV fungeert met een gezamenlijke naam als vehikel voor facturatie en incasso. De omzet wordt per rentmeester gescheiden geadministreerd. Iedere rentmeester heeft in de BV een eigen soort aandelen en een strikt gescheiden eigen winstreserve. De rentmeesters lopen ondernemers- en debiteurenrisico. De Belastingdienst stelt dat van fiscaal ondernemerschap geen sprake is.

    Juridische vragen
    In de kern komt het geschil erop neer of de werkzaamheden naar fiscaalrechtelijke maatstaven zijn verricht voor rekening en risico van de rentmeesters zelf of van de BV.

    Als de werkzaamheden voor eigen rekening en risico van rentmeesters zelf zijn verricht, is de volgende vraag of zij ook rechtstreeks worden verbonden voor de verbintenissen van hun ondernemingen.

    Twee walletjes
    In de kern gaat het om de vraag: is het mogelijk om van twee walletjes te eten? Aan de ene kant externe bescherming door naar buiten toe in de rechtsvorm van een BV te werken, en tegelijkertijd de voordelen van de ondernemersfaciliteiten in de inkomstenbelasting.

    Overwegingen rechter
    Aannemelijk is dat de rentmeesters intern, achter de schermen, zelfstandig het beroep van rentmeester uitoefenen en voor eigen rekening en risico opdrachten verrichten. Dat doen ze naar fiscaalrechtelijke maatstaven zelfstandig en voor eigen rekening en risico. Dat ze de contracten, facturering en betaling via de BV laten lopen, doet daar wel wat aan af, maar is van te weinig gewicht om de doorslag te geven. Voor zover het gaat om het verzenden van de facturen en het ontvangen van de betalingen, heeft de BV alleen maar opgetreden als kassier.

    Volgens de rechter staat de wettelijk voorwaarde 'rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming' niet in de weg aan het ondernemerschap. De rentmeesters zijn op zichzelf niet direct tegenover de externe schuldeisers van de BV aansprakelijk, maar wel degelijk rechtstreeks verbonden voor dergelijke schulden tegenover de BV, voor zover die voortkomen uit door hen aanvaarde en uitgevoerde opdrachten.

    Oordeel rechter
    De slotsom van de rechter is dat de rentmeesters inderdaad van twee walletjes kunnen eten. De wetgever heeft geen rekening gehouden met deze uitzonderlijke structuur. De situatie van de rentmeesters voldoet aan zoveel essentiële criteria voor het fiscale ondernemerschap, zoals de zelfstandigheid en het lopen van ondernemersrisico’s, dat het voldoen aan die criteria zwaarder moet wegen dan de civiel-juridische huls van de BV die ze gebruiken bij de uitvoering van hun werkzaamheden.

    Let op: Een bijzondere uitspraak over een bijzondere structuur. De uitkomst kan voor veel samenwerkende ondernemers in het MKB zeer interessant zijn. We vermoeden echter dat er eerst nog hogere rechters ingeschakeld gaan worden.

Wat uw plannen ook zijn...

FR Accountancy helpt u graag verder!

Neem contact op