Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen?

Als registeraccountant volg ik jaarlijks diverse cursussen om mijn vakkennis uit te breiden en op de hoogte te zijn van de nieuwste wet- en regelgeving.

Hieronder vindt u het laatste nieuws uit de sector. Wilt u weten hoe dit op uw onderneming of persoonlijke situatie van invloed is? Neem dan contact met mij op.

  • 20-05-2022 // Geen bezwaar, geen rechtsherstel box 3

    Een belastingplichtige die voor box 3 niet viel onder de massaalbezwaarprocedure en van wie de aanslag inkomstenbelasting voor de jaren 2017 en 2018 onherroepelijk vaststaat, heeft geen recht op rechtsherstel. In dat geval bestaat ook geen recht op ambtshalve vermindering van de aanslag. Dat heeft de Hoge Raad op 20 mei 2022 geoordeeld.

    Bezwaren te laat
    De uitspraak gaat over een belastingplichtige die te laat bezwaar had gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2015 tot en met 2018 waarvan box 3 deel uitmaakte. De Belastingdienst heeft deze te late bezwaren niet ontvankelijk verklaard en aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering.

    Regeling over ambtshalve vermindering
    Als geen bezwaar of beroep (meer) openstaat tegen een aanslag inkomstenbelasting, kan de belastingplichtige nog de Inspecteur verzoeken de aanslag ambtshalve te verminderen. Een aanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld, kan dan, als aan bepaalde, bij de wet gestelde voorwaarden is voldaan, door de Inspecteur alsnog ambtshalve worden verminderd. Een van die voorwaarden is dat de onjuistheid van de aanslag niet voortvloeit uit jurisprudentie die pas is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk vast is komen te staan, en de Minister van Financiën ook niet anders heeft bepaald. Als de Inspecteur een verzoek om ambtshalve vermindering afwijst, kan de belastingplichtige daartegen bezwaar maken en vervolgens beroep instellen bij de belastingrechter.

    Procedure bij de Hoge Raad
    In deze zaak heeft de Inspecteur de verzoeken van de belastingplichtige om ambtshalve vermindering afgewezen. De belastingplichtige heeft vervolgens bezwaar, (hoger) beroep en beroep in cassatie bij de Hoge Raad ingesteld. In deze cassatieprocedure gaat het om de vraag of de op rechtsherstel gerichte compensatie ook moet worden geboden aan degene die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, maar wiens bezwaren zijn aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.

    Oordeel Hoge Raad over de jaren 2015 en 2016
    De rechter kan voor de jaren 2015 en 2016 slechts rechtsherstel bieden voor zover aannemelijk is dat de box 3-heffing een individuele en buitensporige last oplevert. Dat is in deze zaak niet het geval.

    Oordeel Hoge Raad over de jaren 2017 en 2018
    De Hoge Raad is van oordeel dat het verzoek van de belastingplichtige om ambtshalve vermindering van de aanslagen niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. De onjuistheid van de aan de belastingplichtige opgelegde aanslagen voor de jaren 2017 en 2018 vloeit namelijk voort uit het box 3-arrest van 24 december 2021. Op die datum waren die aanslagen al onherroepelijk. Aangezien de Minister van Financiën niet heeft bekendgemaakt dat van deze voor ambtshalve vermindering gestelde voorwaarde kan worden afgeweken, bestaat geen recht op een vermindering van de aanslagen voor de jaren 2017 en 2018.

    Let op: Het is de vraag hoe het kabinet op deze uitspraak gaat reageren. Maar de kans op massale compensatie ook voor belastingplichtigen die niet tijdig een bezwaarschift hebben ingediend, lijkt met deze uitspraak wel erg klein geworden.

  • 20-05-2022 // Boeterente betaald aan eigen BV niet aftrekbaar

    Een BV heeft aan de directeur groot aandeelhouder (DGA) een lening verstrekt voor de financiering van zijn eigen woning. Hij lost tussentijds een deel af, en betaalt conform de leningsovereenkomst ruim € 34.000 boeterente aan zijn BV. De Belastingdienst schrapt de aftrek van de boeterente in de aangifte inkomstenbelasting. Terecht?

    Beoordeling door de rechter
    Boeterente is de reële vergoeding die de geldverstrekker in rekening brengt en die bestaat uit het renteverlies dat de geldverstrekker lijdt over de nog resterende rentevasteperiode bij het (gedeeltelijk) aflossen, wijzigen of oversluiten van een lening die behoort tot de eigenwoningschuld. Boeterente wordt fiscaal aangemerkt als rente van schulden.

    In dit geval was het op grond van de leningsovereenkomst voor de DGA mogelijk het rentepercentage en de rentevasteperiode van de lening aan te passen en deze lening, indien gewenst, boetevrij af te lossen. Dat de BV voorwaarden kon stellen aan aanpassing van het rentepercentage en de rentevasteperiode doet niet ter zake aangezien de DGA behalve schuldenaar ook enig aandeelhouder en bestuurder is van de BV en hij dus zelfstandig inhoud kon geven aan dergelijke voorwaarden.

    Oordeel
    Het gelijk is aan de Belastingdienst. De boeterente is niet aftrekbaar.

    Let op: Overeenkomsten tussen de DGA en zijn BV, maar ook de uitvoering ervan, kunnen bij de Belastingdienst op een warme belangstelling rekenen. Uw adviseur kent de grenzen van het fiscale speelveld.

  • 20-05-2022 // Fiscaal ondernemer met een opdrachtgever

    Een man is een klussenbedrijf gestart. In het eerste jaar van zijn onderneming heeft hij slechts één opdrachtgever aan wie hij ruim € 37.000 factureert. Gemiddeld komt er daarna elk jaar wel een opdrachtgever bij. De vraag is of in het startjaar sprake was van fiscaal ondernemerschap met de daaraan verbonden voordelen. De Belastingdienst vindt van niet. Hoe oordeelt de rechter?

    Toetsing fiscaal ondernemerschap
    Bij beoordeling van de vraag of sprake is van een fiscale onderneming moet onder meer worden gelet op:

    1. de duurzaamheid en de omvang van de verrichte werkzaamheden;
    2. de grootte van de bruto-baten;
    3. de winstverwachting;
    4. het lopen van (ondernemers)risico;
    5. de beschikbare tijd;
    6. de bekendheid die naar buiten aan de werkzaamheid wordt gegeven;
    7. het aantal opdrachtgevers; en
    8. het spraakgebruik.

    Volgens de Belastingdienst zijn de duurzaamheid en de omvang van de werkzaamheden (1), de grootte van de bruto-baten (2), de winstverwachting (3) en de beschikbare tijd (5) in voldoende mate aanwezig. Maar de rechter moet zich uitspreken over de punten 4, 6, 7 en 8.

    Overwegingen rechter
    In het startjaar heeft de man samen met andere onderaannemers (ZZP-ers) bouwwerkzaamheden verricht. Hij had één opdrachtgever, die ook zelf als ZZP-er op de bouwlocaties werkte en die de werkzaamheden (door)factureerde aan derden. In het startjaar heeft de man een bus en gereedschap gekocht. Op de bouwplaats gebruikte hij zijn eigen gereedschap, dat hij in zijn eigen bus naar de bouwplaats vervoerde.

    Er was sprake van ondernemersrisico: het risico van wegvallen of van het niet binnenhalen van opdrachten, het debiteurenrisico en het aansprakelijkheidsrisico jegens opdrachtgevers. De man heeft met zijn opdrachtgever een overeenkomst gesloten, op basis waarvan hij alleen betaald kreeg voor zijn werkzaamheden als zijn opdrachtgever betaald kreeg. Als hij een fout maakte moest hij deze voor eigen rekening herstellen. Daarbij liep hij het risico van het wegvallen van opdrachten van deze opdrachtgever.

    Het is gebruikelijk dat een starter in de loop van de tijd werkt voor steeds meer opdrachtgevers. Ook volgens de Belastingdienst kon de man twee jaar later, vanwege meerdere opdrachtgevers, wel als fiscaal ondernemer worden aangemerkt. De rechter vindt het aannemelijk dat hij van aanvang af de intentie heeft gehad om zijn activiteiten verder uit te breiden tot meerdere opdrachtgevers. De rechter acht, gelet op de aard van de activiteiten, aannemelijk dat belanghebbende door mond-tot-mond reclame en door het leggen van contacten bekendheid aan zijn werkzaamheden heeft gegeven en dat dit heeft geleid tot het verwerven van de nieuwe opdrachten. Dat de man in het handelsregister van de kamer van koophandel door omstandigheden geen goede activiteit heeft vermeld en dat belanghebbende geen website heeft, doet daaraan niet af.

    De rechter oordeelt dat de man van aanvang af voldoende zelfstandig is om als fiscaal ondernemer te worden aangemerkt.

    Tip: Veel startende ondernemers beginnen met een grote opdrachtgever. Voor fiscaal ondernemerschap ligt dat soms lastig. Daadwerkelijke groei van het aantal opdrachtgevers in latere jaren kan een positief licht laten schijnen over de fiscale situatie in het startjaar.

  • 20-05-2022 // Minimumloon stijgt per 1 juli 2022

    Uitgangspunt van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) is dat de algemene welvaartsontwikkeling zo mogelijk ook tot uitdrukking moet komen in de inkomens van werknemers met een minimumloon en uitkeringsgerechtigden. Wat betekent dit per 1 juli 2022?

    Bepaling aanpassingspercentage
    Het aanpassingspercentage is volgens de wettelijke regeling als volgt vastgesteld. Uitgangspunt is de contractloonontwikkeling in 2022 zoals gepubliceerd in het Centraal Economisch Plan 2022: 2,91%. Daarvan wordt afgetrokken de helft van de CPB-raming voor de contractloonstijging in 2022, zoals deze is gepubliceerd in de Macro-Economische Verkenning uit 2021. Dit deel is immers bij de indexatie van januari 2022 al meegenomen, en bedraagt 0,5 x 2,16% =1,08%. De uitkomst van deze berekening is 1,826% en vormt het onafgeronde aanpassingspercentage. Het (onafgeronde) wettelijk minimumloon, zoals berekend voor de aanpassing per 1 januari 2022, wordt verhoogd met dit percentage. Het aanpassingspercentage na afronding is 1,81%. 

    Wettelijk minimumloon per 1 juli 2022
    Na de (wettelijke) afronding bedraagt het bruto wettelijk minimumloon per 1 juli 2022 voor werknemers van 21 jaar en ouder bij een volledig dienstverband:

    • € 1.756,20 per maand (nu € 1.725,00)
    • € 405,30 per week (nu € 398,10)
    • € 81,06 per dag (nu € 79,62)

    Voor werknemers van 15 jaar en ouder gelden de volgende bedragen voor een fulltime dienstverband:

    • 20 jaar: € 1.404,95 per maand
    • 19 jaar: € 1.053,70 per maand
    • 18 jaar: € 878,10 per maand
    • 17 jaar: € 693,70 per maand
    • 16 jaar: € 605,90 per maand
    • 15 jaar: € 526,85 per maand

    BBL-leerlingen
    Voor leerlingen in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar, gelden de volgende bedragen:

    • 20 jaar: € 1.080,05 per maand
    • 19 jaar: € 922,00 per maand
    • 18 jaar: € 799,05 per maand

    Let op: Het kabinet wil de komende jaren het minimumloon stap voor stap extra gaan verhogen met 7,5%. Mogelijk wordt de eerste stap al in januari 2023 gezet.

  • 20-05-2022 // Per 28 mei 2022 nieuwe regels online verkoop

    Webwinkels en online platforms moeten de klant beschermen. Vanaf 28 mei 2022 gelden daar strengere regels voor. Zo moet het duidelijk zijn wat u online verkoopt, wat de prijs is en welke leveringstermijn van toepassing is. De Kamer van Koophandel (KVK) stelt een checklist beschikbaar waar u kunt controleren aan welke wetten en regels uw online onderneming moet voldoen.

    Vanaf 28 mei 2022 voert de EU voor alle lidstaten nieuwe regels voor online verkoop in. Door deze regels kunnen consumenten veiliger online kopen in het buitenland. De regels gelden namelijk ook voor uw buitenlandse concurrenten.

    Nieuwe regels online verkopen
    Elke (Europese) ondernemer moet voortaan:

    • verplicht beoordelingen door consumenten controleren
    • inzicht geven in de zoekresultaten waarvoor hij betaalt 

    en mag niet langer:

    • zelf beoordelingen verzinnen en (laten) plaatsen of
    • willekeurige prijzen verzinnen in van/voor-aanbiedingen.

    Basisregels online verkoop
    Als u online diensten of producten verkoopt, moet u zich houden aan wettelijke regels. Zo moet u heel duidelijk zijn over:

    • wie u bent
    • hoe u omgaat met klachten
    • wat u verkoopt
    • de prijs die u vraagt en hoe uw klant moet betalen
    • hoe (snel) u levert
    • de wettelijke bedenktijd
    • hoe uw klant kan bestellen 

    Buitenlandse klanten (verbod geoblocking)
    U moet buitenlandse klanten uit een EU-land op dezelfde manier behandelen als klanten in Nederland. Doet u dit niet, dan maakt u zich mogelijk schuldig aan geoblocking en dat is verboden. Een buitenlandse klant uit een EU-land moet bijvoorbeeld uw website of app net zo kunnen gebruiken als de Nederlandse klant. Klanten uit een EU-land moeten tegen dezelfde prijs en voorwaarden uw product of dienst kunnen kopen. Dat geldt niet voor alle diensten (bijvoorbeeld financiële diensten, telefoonabonnementen en gezondheidszorg).

    Tip: Lees bij de KvK aan welke regels voor online verkoop u zich moet houden. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft een uitgebreide checklist. Deze vindt u hier.

  • 06-05-2022 // Werknemer op non-actief, leaseauto inleveren?

    Een werknemer heeft een contract voor bepaalde tijd met een leaseauto voor zakelijk en privé gebruik. Op de mededeling dat het contract niet wordt verlengd, reageert de werknemer zeer fel. Hij wordt per direct op non-actief gesteld en moet zijn leaseauto inleveren. Bij de rechter claimt hij de kosten van vervangend vervoer tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst.

    Privégebruik verstrekte bedrijfsauto looncomponent
    De kantonrechter stelt vast dat bij de arbeidsovereenkomst geen nadere voorwaarden zijn gesteld aan de verstrekking van de leaseauto, ook geen verplichting om de bedrijfsauto gedurende niet tewerkstelling in te leveren. De verstrekking van de bedrijfsauto behoort daarmee tot de arbeidsvoorwaarden en het privégebruik is een looncomponent.

    Non-actief, wel recht op loon
    Volgens de wet behoudt de werknemer het recht op loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Een schorsing of een op non-actiefstelling ligt in de risicosfeer van de werkgever, zodat de werkgever ook tijdens een schorsing of een op non-actiefstelling verplicht is tot doorbetaling van loon. Daarom mocht de werkgever niet van de werknemer eisen dat deze de bedrijfsauto inleverde.

    De rechter wijst de vergoeding voor het privégebruik van de bedrijfsauto toe, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%.

    Bepaling vergoeding privégebruik
    De waarde van het privégebruik van een bedrijfsauto wordt tot uitdrukking gebracht in een bijtelling op het brutoloon, waarover loonbelasting wordt betaald. De rechter gaat uit van deze bijtelling.

    Let op: Een schorsing van een werknemer ligt in de risicosfeer van de werkgever. In beginsel moeten alle looncomponenten worden doorbetaald of vergoed totdat de arbeidsovereenkomst eindigt. Het recht op privégebruik van een leaseauto is zo’n looncomponent.

  • 06-05-2022 // Eten op locatie aftrekbaar voor zelfstandige?

    Een consultant doet opdrachten buiten zijn woonplaats die enkele maanden in beslag nemen. Hij overnacht door de week in de buurt van de locatie van de opdracht. De verblijfkosten zijn aftrekbaar. Maar eten en drinken doet hij daar uiteraard ook. De kosten daarvan wenst hij als zakelijk kosten in aftrek te brengen. De Belastingdienst corrigeert dat. Hoe oordeelt de rechter?

    Standpunt ondernemer
    De consultant stelt dat de eigen verteerkosten in het geval van tijdelijk verblijf elders waarbij een studio dan wel een kamer wordt gehuurd, ondernemingskosten zijn omdat de kosten zijn ingegeven door zakelijke motieven. Bovendien zijn dergelijke kosten die een werkgever voor een werknemer betaalt gewoon aftrekbaar en door de werkkostenregeling onbelast bij de werknemer.

    Oordeel rechter
    De verblijfskosten worden opgeroepen door het verrichten van werkzaamheden of het uitvoeren van een opdracht elders. Daarom berusten deze op zakelijke overwegingen. Maar dit geldt niet voor de tijdens zijn verblijf gemaakte eigen verteerkosten omdat deze kosten vanwege de noodzaak om te eten en te drinken een overheersend privékarakter hebben. Het maakt daarbij, gelet op deze noodzaak, geen verschil of de ondernemer de maaltijd elders gebruikt vanwege zijn verblijf aldaar of dat hij de maaltijd thuis gebruikt.

    Ook de omstandigheid dat de eigen verteerkosten tijdens zijn verblijf elders hoger zijn dan wanneer hij thuis de maaltijd nuttigt, leidt er niet toe dat de kosten (deels) in aftrek van de winst kunnen worden gebracht. De keuze van belanghebbende om uitgaven te doen voor ontbijt, lunch of diner buiten de deur en deze maaltijden niet zelf klaar te maken is een keuze om zijn leven op een bepaalde wijze in te richten. Deze keuze berust op overwegend persoonlijke motieven die eveneens gelden wanneer hij thuis dergelijke uitgaven zou doen.

    Ondernemers en werknemers verkeren ten aanzien van het in aftrek brengen van kosten en het al dan niet onbelast ontvangen en verstrekken van vergoedingen feitelijk en rechtens niet in dezelfde omstandigheden, zodat geen sprake is van gelijke gevallen.

    Tip: Als een maaltijd mede het karakter heeft van bijvoorbeeld werkoverleg met collega’s bij een opdracht, kunnen de kosten wel aftrekbaar zijn voor de ondernemer. Hij heeft daarvan dan wel de bewijslast.   

  • 06-05-2022 // Ontslag op staande voet door werknemer: vergoedingsplicht

    Een koerier neemt met onmiddellijke ingang ontslag bij zijn werkgever. Dit maakt hij via WhatsApp kenbaar. Diezelfde dag reageert de werkgever daarop via WhatsApp. De werkgever acht zichzelf benadeeld en vordert via de rechter een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

    Rechtsgeldigheid ontslag op staande voet
    Door een ontslag op staande voet wordt de arbeidsovereenkomst plotseling en met onmiddellijke ingang beëindigd. Dit heeft voor de wederpartij, in dit geval de werkgever, ingrijpende gevolgen. Daarom moet een ontslag op staande voet aan strenge formele en inhoudelijke eisen voldoen. Volgens de wettelijke regels voor ontslag op staande voet is het alleen geldig als aan drie eisen is voldaan. Er moet een dringende reden (1) zijn, het opzeggen moet onverwijld (2) gebeuren, en de dringende reden moet onverwijld worden meegedeeld (3) aan de wederpartij.

    Dringende reden?
    In deze zaak staat de eerste eis, het bestaan van een dringende reden, ter discussie. Dringende redenen zijn redenen waardoor van de werknemer niet kan worden gevraagd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

    Het WhatsAppbericht van de werknemer vermeldt de volgende redenen:

    1. Chantage door het salaris van een volle maand in te houden in de wetenschap van de wekelijkse geldsituatie van de werknemer;
    2. Schreeuwen en beledigen;
    3. De werknemer dwingen de Rijtijdenwet te overtreden;
    4. Angst om naar het werk te gaan als gevolg van het bovenstaande, en misbruik door de werkgever van zijn betere financiële positie en zijn mogelijkheid om lange procedures tegen de werknemer te voeren.

    De rechter behandelt deze redenen achtereenvolgens en komt tot de volgende conclusies:

    1. Er is geen sprake van chantage of bedreiging, maar van een misverstand over de betaaldatum. De werknemer had dit bij de salarisadministratie kunnen verifiëren.
    2. Voor schreeuwen en beledigen is geen concrete onderbouwing, zodat de rechter geen getuigenbewijs toelaat.
    3. Overwerk had de werknemer mogen weigeren, maar heeft dat niet gedaan. Van dwang was geen sprake.
    4. Ook angst en misbruik worden onvoldoende onderbouwd.

    Daarom komt de rechter tot de conclusie dat de werknemer onterecht ontslag op staande voet heeft genomen. Het is niet rechtsgeldig.

    Vergoeding aan de werkgever wegens onregelmatige opzegging
    Op grond van het voorgaande is de werknemer aan de werkgever een vergoeding verschuldigd.

    Het gaat om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds opzegbaar was, dus een vergoeding tot de einddatum van het contract zou voor de hand liggen. Maar uit het Whatsappverkeer blijkt dat werkgever en werknemer overeenstemming hebben bereikt over een eerdere einddatum. De vergoeding wordt gesteld op het in geld vastgestelde loon over de periode tot die einddatum.

    Let op: Ontslag op staande voet heeft voor de wederpartij , werkgever of werknemer, ingrijpende gevolgen. Daarom gelden er strenge wettelijke regels voor, met een vergoedingsplicht als deze regels worden overtreden.

  • 06-05-2022 // Planning rechtsherstel Box 3

    Het kabinet heeft besloten om het rechtsherstel voor de massaal bezwaarmakers over de jaren 2017-2020 en voor alle belastingplichtigen van wie de aanslag nog niet onherroepelijk vaststond (dat zijn onder meer alle belastingplichtigen over de jaren 2021-2022) in gang te zetten volgens de forfaitaire spaarvariant. Wat betekent dit en wat is de planning, ook voor andere belastingplichtigen?

    Forfaitaire spaarvariant
    Dit betekent dat voor de belastingplichtige het inkomen uit sparen en beleggen voor de belastingen wordt verminderd als het nieuw berekende forfaitaire rendement lager is dan het oorspronkelijk berekende forfaitaire rendement. Er wordt gewerkt met drie forfaits: voor spaargeld, schulden en overige bezittingen. Deze forfaits worden toegepast op de werkelijke vermogensmix, dat wil zeggen op het werkelijke spaargeld, de werkelijke schulden en de werkelijke overige bezittingen.

    Aanslagen van bezwaarmakers en niet onherroepelijk vaststaande aanslagen
    Belastingplichtigen hoeven geen actie te ondernemen om rechtsherstel te ontvangen. Ze ontvangen het rechtsherstel automatisch. Belastingplichtigen die massaal bezwaar hebben gemaakt ontvangen rechtsherstel voor de uiterlijke datum van 4 augustus die volgt uit het arrest van de Hoge Raad. Ook alle andere aanslagen over 2017 tot en met 2020 die nog niet zijn opgelegd of wel zijn opgelegd maar nog niet onherroepelijk vaststonden en alle aanslagen over de belastingjaren 2021 en 2022 worden vanaf medio augustus 2022 in lijn met de forfaitaire spaarvariant opgelegd.

    Niet-bezwaarmakers
    Er is nog niet besloten over het bieden van rechtsherstel aan belastingplichtigen van wie de aanslag over de belastingjaren 2017-2020 al onherroepelijk vaststond op het moment van het arrest van de Hoge Raad. Het kabinet wil hierover later dit jaar, maar ruim voor 31 december 2022, een besluit nemen. Het wachten is op een arrest van de Hoge Raad dat binnen zes maanden wordt verwacht, waarmee duidelijker wordt welke keuzevrijheid het kabinet precies heeft voor het rechtsherstel voor deze groep belastingplichtigen. Met andere woorden: het kabinet lijkt alleen rechtsherstel te willen bieden aan niet-bezwaarmakers als dat volgt uit de verwachte uitspraak van de Hoge Raad.

    De niet-bezwaarmakers hoeven geen actie te ondernemen. Dat de keuze van het kabinet later valt, gaat niet ten koste van hun rechtspositie. Belastingplichtigen kunnen immers nog tijdig na dit besluit een verzoek voor ambtshalve vermindering indienen als dat nodig is (en bij afwijzing daarvan in bezwaar en beroep gaan). Deze verzoeken kunnen tot vijf jaar na het belastingjaar worden ingediend. Over belastingjaar 2017 kunnen belastingplichtigen tot en met 31 december 2022 een verzoek indienen.

    Let op: Voor de belastingjaren 2023 en 2024 zal overbruggende wetgeving voor box 3 worden ontworpen. Deze wetgeving zal het huidige box 3-stelsel vervangen voor die jaren en wordt gebaseerd op de voor het rechtsherstel gekozen oplossingen, de forfaitaire spaarvariant. Dit voorstel wordt op Prinsjesdag 2022 aan de Tweede Kamer aangeboden.

  • 22-04-2022 // Kleine attenties onbelast?

    Als u als werkgever een geschenk geeft dat buiten de relatie werkgever-werknemer valt, is dat geen loon. In een onlangs bijgewerkte handreiking geeft de Belastingdienst een uitwerking en voorbeelden. 

    Loon is volgens de wet alles wat een werknemer krijgt op grond van zijn dienstbetrekking. Een geschenk valt hier ook onder. Maar het kan zijn dat u een geschenk geeft vanwege de persoonlijke relatie met de werknemer. Het geschenk heeft dan geen duidelijk verband met de dienstbetrekking. In dat geval is het geschenk geen loon. 

    Voorbeeld
    Uw werknemer is ziek en u geeft hem een fruitmand. Of uw werknemer is overleden en u stuurt zijn nabestaanden een rouwkrans. U doet dit op grond van de persoonlijke relatie met de werknemer en niet op grond van de relatie werkgever-werknemer. De fruitmand of rouwkrans zijn daarom geen loon. 

    Kleinegeschenkenregeling
    In de praktijk is soms moeilijk vast te stellen of u een geschenk geeft vanwege de persoonlijke relatie met een werknemer. Als u aan de volgende 3 voorwaarden voldoet, kunt u ervan uitgaan dat uw kleine geschenk geen loon is:

    • U geeft een persoonlijke attentie in situaties waarin ook anderen zo'n attentie zouden geven.
    • U geeft geen geld of een waardebon.
    • De factuurwaarde (inclusief BTW) van de attentie is maximaal € 25. U hoeft eventuele bezorgkosten niet mee te tellen als die kosten op de factuur zijn gespecificeerd, of apart zijn gefactureerd. 

    Van een persoonlijke attentie is sprake als de persoon van de werknemer voorop staat bij het geven van de attentie. Niet van belang is of de werknemer recht heeft op de attentie. 

    Dit zijn voorbeelden van een persoonlijke attentie:

    • een bos bloemen bij een verjaardag,
    • een attentie voor een geboorte,
    • een attentie voor een huwelijk. 

    Geen persoonlijke attentie
    Hieronder vindt u voorbeelden van attenties die niet persoonlijk zijn. Deze attenties zijn gericht op de werknemer en niet op de persoon. De kleinegeschenkenregeling geldt hiervoor niet:

    • een kerstpakket
    • een chocoladeletter voor Sinterklaas
    • een bloemetje op de eerste werkdag of secretaressedag
    • een attentie voor een jubileum
    • een attentie omdat de werknemer moet thuiswerken door coronamaatregelen

    Let op: Voldoet u niet aan de voorwaarden van de kleinegeschenkenregeling, dan is het geschenk, inclusief eventuele bezorgkosten en de BTW, loon voor de werknemer. U mag het geschenk ook aanwijzen als eindheffingsloon. Dit komt dan ten laste van de vrije ruimte in de werkkostenregeling. Boven de vrije ruimte betaalt u 80% eindheffing.

  • 22-04-2022 // Hoezo passend werk?

    Als werkgever kunt u een zieke werknemer vragen om passende arbeid te doen. Hoe weten u en de werknemer wat passend is? En is de werknemer verplicht om de aangeboden passende arbeid te verrichten? Een praktijkgeval uit recente rechtspraak geeft inzicht.

    Praktijkgeval
    Een vrachtwagenchauffeur meldt zich ziek. De bedrijfsarts geeft in zijn re-integratieadvies aan dat de chauffeur momenteel ongeschikt is voor het eigen werk. Wat kan wel? Vervangende werkzaamheden, waarbij hij niet langdurig aaneengesloten dient te staan en/of (trap)lopen, frequent dient te bukken en/of knielen noch zwaar dient te tillen/dragen. Voor dergelijk passend werk geldt geen urenbeperking.

    De chauffeur start met het vervangende werk, maar het gaat niet. Hij meldt zich weer ziek. De bedrijfsarts ziet vanwege onderlinge problemen een duurzame arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer niet voor zich en adviseert een outplacementtraject (2e spoor).

    De werkgever roept vervolgens de chauffeur op om de passende arbeid bij een ander bedrijf uit te voeren. De chauffeur weigert en de werkgever stopt per die datum de loonbetaling.

    Wat betekent passende arbeid?
    Volgens de wet is passende arbeid alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

    Is het doen van passende arbeid verplicht?
    De wet bepaalt dat de werknemer geen recht op loon heeft tijdens de periode waarin hij zonder deugdelijke grond weigert passende arbeid te verrichten. De werknemer heeft een re-integratieverplichting: hij is verplicht gevolg te geven aan redelijke voorschriften en mee te werken aan maatregelen die erop zijn gericht hem zijn eigen of andere passende arbeid te laten verrichten.

    Wie bepaalt wat passend is?
    De bedrijfsarts stelt een re-integratieadvies op, waarin, zoals ook in dit geval, een omschrijving van passende arbeid kan zijn opgenomen. Soms geeft een arbeidskundige nog advies over de benutbare mogelijkheden van de werknemer, mede naar aanleiding van werkplekonderzoek. Ook dat is in dit geval gebeurd. Het lag in lijn met het advies van de bedrijfsarts. Bovendien onderschrijft het UWV in een aangevraagd deskundigenoordeel het advies van de bedrijfsarts. Er zijn geen medische redenen waarom de chauffeur het aangeboden werk niet zou kunnen verrichten.

    Conclusie
    De loonstop mag doorlopen totdat de werknemer bij het andere bedrijf begint met de vervangende arbeid.

    Let op: De re-integratieverplichting is een serieuze zaak. Hoe ver die reikt, is afhankelijk van het advies van de bedrijfsarts en in tweede instantie van andere deskundigen die de werknemer en de situatie op de (vervangende) werkplek beoordelen.

  • 22-04-2022 // Box 3 in 2025

    Het kabinet wil vanaf 2025 belasting gaan heffen over het werkelijk rendement in box 3. Het wordt een vermogensaanwasbelasting, waarbij jaarlijks belasting wordt geheven over de inkomsten (zoals rente, dividend, huur en pacht minus de kosten) en de waardeontwikkeling van vermogen (zoals koerswinst of koersverlies van aandelen en waardestijging of waardedaling van onroerend goed). Een recente brief aan de Tweede Kamer bevat hoofdlijnen en voorbeelden.

    Voorbeeld vermogensaanwas aandelenbelegging
    Een particulier heeft op 1 januari 10 aandelen in Z NV. Ieder aandeel is € 10 waard. De totale beginwaarde van het aandelenpakket is dus € 100.

    Op 15 maart ontvangt de particulier een dividenduitkering van € 10. Dit zijn reguliere inkomsten.

    Op 1 juli stort de particulier € 110 op zijn beleggingsrekening en koopt hiermee 10 aandelen in Z NV bij voor € 11 per aandeel. Dit is een storting van € 110. Op 15 september verkoopt hij 5 aandelen in Z NV voor € 12 per aandeel. Dit is een onttrekking van € 60.

    Op 31 december heeft de particulier 15 aandelen in Z NV. Ieder aandeel is € 13 waard. De eindwaarde is dus € 195. Het verschil in de waarde van zijn aandelen op 31 december en 1 januari is € 95 (€ 195 - € 100). Om de vermogensaanwas te berekenen moet dit verschil worden gecorrigeerd met de stortingen en onttrekkingen. Dus € 95, minus € 110 (stortingen) plus € 60 (onttrekkingen) leidt tot een vermogensaanwas van € 45.

    De inkomsten (dividend) bedroegen € 10 en de vermogensmutatie bedraagt € 45. De totale inkomsten uit vermogen zijn € 55.

    Onroerende zaken
    Het rendement op onroerende zaken bestaat uit de jaarlijkse waardemutatie van de onroerende zaken en de reguliere inkomsten, zoals huur en pacht. In het coalitieakkoord is afgesproken om de waardeontwikkeling van onroerende zaken tijdelijk forfaitair te blijven belasten, waarbij zo snel als mogelijk de overstap wordt gemaakt naar een heffing op basis van werkelijk rendement. Ook in 2025 zijn de benodigde gegevens namelijk niet voldoende beschikbaar of geschikt om de waardeontwikkeling te belasten. 

    Vorderingen en schulden
    De verschuldigde rente op vorderingen en schulden hoort tot het inkomen, net als waardemutaties die zich voordoen bij afwaardering, kwijtschelding of valutaverschillen. De verschuldigde rente is als positief inkomen belast bij de schuldeiser en als negatief inkomen aftrekbaar bij de schuldenaar. Een af- of opwaardering van een vordering leidt enkel bij de schuldeiser tot een vermogensmutatie. Kwijtschelding van een schuld heeft bij de schuldenaar tot gevolg dat sprake is van een positieve waardemutatie, welke bij de schuldeiser resulteert in een negatieve vermogensmutatie. Momenteel wordt nog onderzocht wanneer belastingheffing vanwege de kwijtschelding van de schuld tot onbedoelde effecten leidt en hoe dit kan worden voorkomen.

    Overige vermogensbestanddelen
    Ook wordt nog onderzocht hoe de belastingheffing over het werkelijke rendement bij de overige vermogensbestanddelen die nu in box 3 zitten, vormgegeven kan worden. Daarbij gaat het onder meer om verzekeringsproducten zoals kapitaal- en lijfrenteverzekeringen en rechten op periodieke uitkeringen, om overige bezittingen zoals contant geld, cryptovaluta, participaties in ondernemingen (die niet in box 1 vallen) en uitgeleend durfkapitaal.

    Kosten
    Het lijkt evenwichtig om ook de kosten die met de werkelijke inkomsten samenhangen in het nieuwe stelsel aftrekbaar te maken. Misbruik ligt op de loer. Daarom wordt onderzocht welke kosten eenduidig zijn toe te wijzen aan de inkomsten uit vermogen en waar een afbakening kan worden gemaakt naar kosten die als niet aftrekbaar zouden moeten worden beschouwd.

    Verliesverrekening
    In een stelsel op basis van werkelijk rendement is het mogelijk dat belastingplichtigen in sommige jaren verlies lijden in box 3. Dit betekent dat nagedacht moet worden over verliesverrekening. Wanneer een belastingplichtige bijvoorbeeld in jaar 1 een rendement heeft in box 3 van € 1.000 en in jaar 2 een verlies van € 2.000, zou zonder verliesverrekening in jaar 1 over € 1.000 worden geheven en in jaar 2 geen belasting worden geheven. Dit kan als onrechtvaardig worden ervaren omdat per saldo over deze twee jaren een verlies is geleden van € 1.000. Verliezen kunnen uitsluitend worden verrekend met de box 3 inkomsten uit andere jaren.

    Heffingvrij vermogen, tarief en vrijstellingen
    Over de hoogte van het heffingvrije bedrag moet nog besluitvorming plaatsvinden. Voor de vormgeving van het tarief zijn diverse opties bekeken zoals een vlaktaks of een progressief tarief. Ook hierover moet nog besluitvorming plaatsvinden. Een aantal bezittingen is momenteel vrijgesteld in box 3, al dan niet beperkt tot een bepaald bedrag. Het gaat bijvoorbeeld om natuurterreinen, bepaalde kapitaalverzekeringen of groene beleggingen. Het uitgangspunt bij de overgang naar een stelsel op basis van werkelijk rendement is dat de huidige vrijstellingen worden gehandhaafd, tenzij de overgang naar werkelijk rendement aanleiding geeft om een vrijstelling anders vorm te geven of af te schaffen.

    Voorbeelden
    Stel, er komt een nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement met een heffingvrij inkomen van € 600 en eenzelfde vlak tarief van 31%. Deze twee getallen dienen enkel als voorbeeld om de werking van de heffing te illustreren. De werkelijke tarieven in het nieuwe stelsel moeten nog worden bepaald.

    Voorbeeld: spaarder met 0% rendement
    Omdat het rendement 0% is, is de spaarder geen belasting verschuldigd, ongeacht de omvang van zijn spaargeld.

    Voorbeeld: belegger met 4% rendement
    Bij een belegd vermogen van € 50.000 is het rendement € 2.000 en de belasting daarover € 434 (31% van (€ 2.000 minus € 600)).
    Bij een belegd vermogen van € 100.000 is het rendement € 4.000 en de belasting daarover € 1.054 (31% van (€ 4.000 minus € 600().
    Bij een belegd vermogen van € 1.000.000 is het rendement € 40.000 en de belasting daarover € 12.214 (31% van € 40.000 minus € 600).

    Voorbeeld: belegger met 200% investering tegen 9% rendement en 100% schuld tegen 3% rente.
    Bij investeringen van € 100.000 (a 9%) en schulden van € 50.000 (a 3%) is het nettorendement € 7.500 en de belasting daarover € 2.139 (31% van (€ 7.500 minus € 600)).
    Bij investeringen van € 200.000 (a 9%) en schulden van € 100.000 (a 3%) is het nettorendement € 15.000 en de belasting daarover € 4.464 (31% van (€ 15.000 minus € 600)).
    Bij investeringen van € 2.000.000 (a 9%) en schulden van € 1.000.000 (a 3%) is het nettorendement € 150.000 en de belasting daarover € 46.314 (31% van (€ 150.000 minus € 600)).

  • 22-04-2022 // Box 3: rechtsherstel, 2023 en 2024

    Hoe gaat rechtsherstel plaatsvinden aan mensen die belasting hebben betaald over vermogen in box 3 voor de jaren 2017 t/m 2022? Het kabinet komt met een nieuwe berekening waarbij het werkelijk rendement zo dicht mogelijk wordt benaderd. Hiervoor zijn twee varianten uitgewerkt. Voor de jaren 2023 en 2024 wordt tijdelijke wetgeving langs dezelfde lijnen voorbereid.

    Planning
    Afhankelijk van de keuze voor de doelgroep en de gekozen variant kost het herstel tussen de € 2,4 miljard en € 11,7 miljard. Waarschijnlijk zal in mei definitieve besluitvorming plaatsvinden voor degenen die bezwaar hebben gemaakt. Uitgaande van deze planning kan de Belastingdienst rond 1 juli beginnen met het herstel zodat in ieder geval alle massaal ingediende bezwaarschriften voor 4 augustus 2022 afgewikkeld kunnen worden. Of ook andere belastingplichtigen een tegemoetkoming krijgen, wordt pas in het najaar besloten.

    Afweging
    Het kabinet moet een afweging maken tussen rechtdoen aan het arrest van de Hoge Raad, uitvoerbaarheid en budgettaire consequenties. Daarom is het voorstel om mensen automatisch rechtsherstel te bieden op basis van een nieuwe berekening die aansluit bij de werkelijke verdeling van spaargeld en beleggingen. Dat is een groot verschil met de huidige situatie, waarbij er vanuit wordt gegaan dat het vermogen waarover u belasting betaalt voor een bepaald deel uit beleggingen bestaat, ook als dat niet het geval is en het vermogen volledig uit spaargeld bestaat. Er zijn twee varianten voor het herstel uitgewerkt.

    Variant 1: spaarvariant
    Bij de eerste variant zullen mensen met spaargeld worden belast op basis van de actuele spaarrente, die de laatste jaren 0% was. Voor schulden wordt aangesloten bij de hypotheekrente en bij beleggingen (effecten, onroerend goed) wordt – net als nu -  uitgegaan van het meerjarige gemiddelde rendement voor beleggingen. Hierdoor worden bijvoorbeeld beleggers niet gecompenseerd voor slechte resultaten in een specifiek jaar, omdat ze ook niet extra worden belast voor goede resultaten in een ander jaar. Een belastingplichtige met € 200.000 vermogen in 2020, waarvan driekwart (€ 150.000) spaargeld en de rest beleggingen krijgt in deze variant € 916 terug. Eenzelfde belastingplichtige met € 200.000 vermogen en maar een kwart spaargeld (€ 50.000) krijgt in deze variant geen geld terug, omdat in deze berekening hij eigenlijk meer belasting had moeten betalen dan hij heeft betaald.

    Variant 2: forfaitaire variant
    In de tweede variant worden de forfaits aangepast aan de gemiddelde rendementen voor deze vermogenscategorieën in een jaar, zodat dit zo goed mogelijk aansluit bij het werkelijke rendement in dat jaar. Het werkelijk rendement wordt op deze manier zo dicht mogelijk benaderd. 

    Spoedwetgeving voor 2023 en 2024
    Om correct belasting in box 3 te kunnen heffen in 2023 en 2024 is spoedwetgeving nodig. Het kabinet stelt voor om deze spoedwetgeving aan te laten sluiten bij de uiteindelijke vormgeving van het rechtsherstel. Er is nog onderzocht of het mogelijk is per 2023 een vermogensbelasting in te voeren, maar dit was uitvoeringstechnisch niet haalbaar. Een tijdelijke vermogensbelasting is niet logisch wanneer vanaf 2025 het werkelijk rendement op basis van vermogensaanwas belast gaat worden.

    Let op: De vraag is nu welke keuzes het kabinet maakt en hoe de Tweede Kamer vervolgens op de voorstellen gaat reageren. We houden u op de hoogte. In een ander artikel gaan we in op de voorgestelde wetgeving voor box 3 in 2025. Die krijgt een heel andere structuur.

  • 08-04-2022 // Aanzegging einde contract via e-mail

    Een medewerkster had een jaarcontract dat eindigde op 30 september 2021. In april 2021 werd ze ziek en vervolgens heeft ze niet meer gewerkt. Op 25 augustus 2021 is haar in een videogesprek medegedeeld dat het contract niet zou worden verlengd. Op 27 augustus 2021 krijgt ze een nette mail met wat haar te wachten staat in verband met het beëindigen van haar jaarcontract. Is dat een rechtsgeldige aanzegging einde contract?

    Aanzegvergoeding
    Aangezien het een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor meer dan zes maanden betreft, geldt voor de werkgever bij het einde van die arbeidsovereenkomst een zogenoemde aanzegplicht: de werkgever dient de werknemer uiterlijk één maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de overeenkomst en, bij voortzetting, over de voorwaarden waaronder hij de arbeidsovereenkomst wil voortzetten.

    Indien de werkgever deze aanzegverplichting in het geheel niet nakomt, is hij aan de werknemer een aanzegvergoeding verschuldigd. Indien de werkgever de aanzegverplichting niet tijdig is nagekomen, is hij de werknemer een vergoeding naar rato verschuldigd.

    In dit geval eist de medewerkster een aanzegvergoeding van bijna € 3.500.

    Beoordeling verzoek
    De wet eist dat de werkgever de aanzegging schriftelijk doet, als waarborg om discussies achteraf over al dan niet gedane mondelinge toezeggingen of mededelingen, dan wel gemaakte afspraken, te voorkomen. Onder ‘schriftelijk’ kan ook een elektronische kennisgeving/mededeling worden verstaan. Een mondelinge aanzegging volstaat dus niet.

    In dit geval had de werkgever de medewerkster uiterlijk op 30 augustus 2021 schriftelijk moeten informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.

    De rechter is van oordeel dat de werkgever met de e-mail voldoende duidelijkheid heeft verschaft over het al dan niet eindigen van de arbeidsovereenkomst. De e-mail verwijst in de aanhef naar het beëindigen van het jaarcontract en vermeldt verder over wat de medewerkster in verband daarmee te wachten staat zoals dat ze ziek uit dienst gaat,  wordt aangemeld bij het UWV en dat er door de werkgever wordt gezorgd voor een eindafrekening waarbij haar openstaande vakantiedagen en opgebouwde eindejaarsuitkering worden uitbetaald. Tevens geeft de werkgever in die e-mail te kennen dat de medewerkster nog een formele opzeggingsbrief zal ontvangen. De e-mail was dan ook onmiskenbaar gericht op het verstrekken van informatie over het vervolg van de arbeidsrelatie.

    Dat de medewerkster de formele opzeggingsbrief die in die e-mail wordt genoemd niet heeft ontvangen, nog daargelaten voor wiens risico dat dient te komen, doet aan het voorgaande niets af. In de arbeidsovereenkomst is immers bepaald dat deze van rechtswege eindigt op 30 september 2021. Opzegging door de werkgever is daarom niet vereist.

    Conclusie
    Voor de medewerkster was na ontvangst van de e-mail én de daaraan voorafgaande mondelinge mededeling op 25 augustus 2021 duidelijk dat haar arbeidsovereenkomst zou eindigen. De einddatum van de arbeidsovereenkomst was eveneens bekend. Gesteld noch gebleken is dat de werkgever na haar mondelinge en schriftelijke mededelingen andere mededelingen heeft gedaan op grond waarvan twijfel of onzekerheid bij de medewerkster zou bestaan over het al dan niet eindigen van de arbeidsovereenkomst.

    De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de werkgever met de e-mail van 27 augustus 2021, in vervolg op de mondelinge mededeling die op 25 augustus 2021 is gedaan, heeft voldaan aan de wettelijke aanzegverplichting. Het verzoek om toekenning van een aanzegvergoeding wordt dan ook afgewezen.

    Let op: Mogelijk heeft de medewerkster gedacht: niet geschoten is altijd mis. Maar de in het ongelijk gestelde partij wordt veelal in de proceskosten veroordeeld. Zo ook in dit geval.  

  • 08-04-2022 // Zakelijke fiets en investeringsaftrek

    Als u een fiets van de zaak ook privé mag gebruiken, geldt een bijtelling van 7% van de consumentenadviesprijs. De DGA en de zelfstandige ondernemer kunnen de kosten van de fiets in hun BV of onderneming in aftrek brengen. Soms zelfs meer dan de kosten. Voor welke fietsen krijgt u in 2022 investeringsaftrek en milieu-investeringsaftrek? 

    Wat is eigenlijk een fiets?
    Een fiets is wat volgens het spraakgebruik fiets heet. Een stadsfiets, omafiets, racefiets, mountainbike, elektrische fiets en e-bike vallen daaronder, een speed pedelec ook. Dat is een gekentekende fiets met elektrische trapondersteuning en een maximale snelheid tussen de 25 en 45 km per uur. Een bromfiets of snorfiets gelden echter niet als fiets. Het element ‘zelf trappen’ ontbreekt.

    Kleinschaligheids-investeringsaftrek (KIA)
    Voor de fiets van de zaak komt de ondernemer in aanmerking voor kleinschaligheids-investeringsaftrek (KIA). Verdedigbaar lijkt dat dit ook geldt voor de werkgever en de BV met de DGA als werknemer.

    Milieu-investeringsaftrek (MIA) en vervroegde afschrijving (VAMIL)
    Voor het jaar 2022 staan de speed pedelec en de elektrische bakfiets op de Milieulijst, omdat ze leiden tot het verbeteren van de luchtkwaliteit en het reduceren van broeikasgassen.

    De speed pedelec (Code B3118) geeft recht op extra aftrek: 27% Milieu-investeringsaftrek (MIA). Daarnaast mag u van de investering 75% vervroegd afschrijven (VAMIL).

    Een elektrische bakfiets (Code F3119) die is bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen - waarbij de aanschaf per bakfiets ten minste € 4.000 bedraagt - met daarnaast al dan niet een aanhangwagen, wisselaccu(’s) en een oplaadstation, geeft zelfs recht op 45% Milieu-investeringsaftrek (MIA). U mag van de investering 75% vervroegd afschrijven (VAMIL).

    Tip: Een speed pedelec en een elektrische bakfiets zijn niet goedkoop, maar fiscaal zeer voordelig.   

Wat uw plannen ook zijn...

FR Accountancy helpt u graag verder!

Neem contact op