"FR Accountancy zorgt dat er
achteraf geen verrassingen zijn"

Nieuws

  • 16-08-2019 // Eigen woning in jaar van echtscheiding

    Man en vrouw zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. De man vertrekt in 2013. In augustus 2016 spreekt de rechtbank de echtscheiding uit. Vastgelegd wordt dat 1 januari 2014 geldt als peildatum. De echtelijke woning komt vanaf 1 januari 2014 voor rekening en risico van de vrouw, als zij deze per 1 januari 2017 juridisch kan overnemen. Dat is het geval. Komt de woning fiscaal per 1 januari 2016 voor 100% of voor 50% aan de vrouw toe?

    In de aangifte inkomstenbelasting rekent de vrouw de eigen woning voor 100% aan zichzelf toe. De Belastingdienst corrigeert dat en rekent de woning voor 50% aan haar toe. Mevrouw en haar ex-partner waren gedurende 2016 immers ieder voor 50% juridisch eigenaar van een woning.

    De rechter stelt de vrouw in het gelijk. Uit de echtscheidingsbeschikking volgt dat de waardeverandering van de woning vanaf 1 januari 2014 volledig voor rekening en risico van de vrouw komt, behoudens in de situatie dat ze de woning per 1 januari 2017 niet zou kunnen overnemen. Deze situatie heeft zich echter niet voorgedaan.

    Daarnaast is in de echtscheidingsbeschikking bepaald dat de vrouw vanaf 1 januari 2014 alle lasten van de woning voor haar rekening neemt, hetgeen in praktijk ook is gebeurd.

    Daarmee staat vast dat de vrouw met ingang van 1 januari 2014 de volledige economische eigendom van de woning heeft. Op basis van de wet moet de woning bij de vaststelling van de belastbare inkomsten uit eigen woning voor 100% aan haar worden toegerekend. De omstandigheid dat ze in 2016 slechts voor 50% juridisch eigenaar van de woning was, doet daar niet aan af.

    Tip: De fiscale regelgeving rond echtscheiding is ingewikkeld. De Belastingdienst gaat ook wel eens de fout in, zoals blijkt uit deze uitspraak. Soms kunt u in overleg vanuit gezamenlijk eigenbelang beiden fiscaal voordeel behalen door de feitelijke, economische en juridische gang van zaken tijdig bij te sturen. Raadpleeg daarom op tijd uw fiscaal adviseur, als een echtscheiding aanstaande is.

  • 16-08-2019 // Aflossing hypotheek in januari: correctie box 3?

    Op 1 januari 2016 heeft een particulier een eigen woning met een hypotheekschuld van 140.000 euro. Hij heeft op de bank een spaarsaldo van 230.000 euro. Op 28 januari 2016 besluit hij om de hypotheek geheel af te lossen. Hij vindt het zuur dat hij over die 140.000 euro per 1 januari inkomstenbelasting in box 3 moet betalen en gaat naar de rechter.

    De vraag is of het in het belastbaar inkomen uit box 3 betrekken van vermogen dat in de maand van de peildatum is gebruikt voor de aflossing van de hypotheekschuld leidt tot een individuele en buitensporige last. Als dat het geval zou zijn, zou de belasting moeten worden gecorrigeerd.

    De rechter maakt korte metten met deze redenering. Voor de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting box 3 over het gehele jaar 2016, wordt uitgegaan van de hoogte van het box 3-vermogen op de peildatum 1 januari 2016.

    Box 3-vermogensmutaties, positief of negatief, na de peildatum zijn bij het vaststellen van de belastingschuld over het desbetreffende jaar in beginsel niet van belang. Dit is inherent aan de keuze van de wetgever. De situatie van belanghebbende, waarin hij er voor heeft gekozen de spaartegoeden gedurende het jaar aan te wenden, wijkt niet wezenlijk af van de situatie van andere belastingplichtigen met box 3-vermogensmutaties. Van een last die zich in het geval van belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen is hier dan ook geen sprake. Dat de keuze van belanghebbende om de hypotheekschuld op zijn eigen woning af te lossen legitiem was, doet hier niet aan af.

    Tip: Als deze particulier voor 1 januari had afgelost, had hij een paar duizend euro belasting bespaard. Het kan verstandig zijn om niet al te lang na de zomervakantie uw financiële en fiscale positie eens met ons te bespreken. Zo kunnen we bepalen wat zinvol en mogelijk is, en welke maatregelen u beter voor en welke u beter na 31 december 2019 kunt nemen.

  • 16-08-2019 // Overtreding concurrentiebeding: matiging boete

    Een werknemer van een bedrijf in sloopwerken en asbestsanering heeft een concurrentiebeding met een boetebeding. Hij neemt ontslag en gaat per 1 december 2018 bij de concurrent aan de slag. De ex-werkgever sommeert hem op 10 december 2018 tot betaling van de boete. Partijen treffen elkaar in juli 2019 bij de rechter. De contractuele boete is dan opgelopen tot 892.500 euro (5.000 euro plus 355 dagen maal 2.500 euro). Hoe oordeelt de rechter?

    De rechter stelt vast dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is. Hij stelt ook vast dat de nieuwe werkgever een concurrent is van de oude. Beide bedrijven doen aan asbestsanering en vissen in dezelfde vijver. Ook staat vast dat de werknemer nog steeds bij de nieuwe werkgever werkt.

    Dit betekent dat ook het boetebeding in beginsel van toepassing is. Maar de rechter mag dit matigen als de toepassing tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij let de kantonrechter op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

    Toewijzing van de gevorderde boete zou ertoe leiden dat de ex-werknemer een boete zou moeten betalen van in totaal 892.500 euro. Dat vindt de rechter onaanvaardbaar. Hij matigt de boete tot 4.000 euro, ongeveer twee maandsalarissen. De werknemer verdient immers slechts 500 euro per maand meer dan het minimumloon. Verder heeft de werkgever niet laten zien dat hij gedurende de 355 dagen daadwerkelijk schade heeft geleden.

    Van een dergelijke boete gaat nog steeds een voldoende signaal uit om werknemers in vergelijkbare omstandigheden ervan te weerhouden in strijd met het concurrentiebeding te handelen.

    Tip: Een concurrentiebeding met boete per dag dat de overtreding voortduurt, kan leiden tot een exorbitant hoge boete, zeker in relatie tot het inkomen van de ex-werknemer. Toch houdt het beding zelf stand. In de praktijk matigt de rechter een dergelijke boete tot een redelijk bedrag.

  • 16-08-2019 // Werknemer fraudeert met gewerkte uren: ontslag?

    Een winkelketen hanteert een systeem voor werktijdenregistratie. De winkelmanager moet toezien op de juiste invoer en verwerking. Ook is hij verantwoordelijk voor het openen en sluiten van de winkel en het in- en uitschakelen van het alarm. Vanwege openbaar vervoerperikelen komt hij zelf regelmatig te laat. Dat komt hem duur te staan.

    Bewezen wordt dat uit de inschakeltijden van het alarm blijkt dat hij achttien maal een tot twee uur te laat is begonnen. Ook wordt vastgesteld dat de manager bewust telkens als aanvangstijd van zijn werk de normale openingstijd in de werktijdenregistratie heeft ingevoerd. Hij wordt geschorst en vervolgens op staande voet ontslagen omdat hij zo ten onrechte loon heeft gehad over niet gewerkte uren. Bovendien heeft hij de werkgever benadeeld door de winkel te laat te openen. Ook heeft hij zijn voorbeeldfunctie als winkelmanager veronachtzaamd.

    De rechter bevestigt dat deze werkwijze een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Bovendien is sprake van zodanig ernstig verwijtbaar handelen dat geen transitievergoeding wordt toegekend.

    De werkgever vordert ook omzetschade. Die wordt niet toegekend omdat niet wordt bewezen dat bij het telkens te laten komen sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid.

    Tip: Soms kan een werknemer er, in zijn beleving, niets aan doen dat hij te laat komt. Als openen van de winkel zijn verantwoordelijkheid is, moet hij dat echter zelf voorkomen. Als hem dat niet lukt en hij voert de niet gewerkte uren in als werktijd, levert uiteraard regelrechte fraude op. Reden voor ontslag op staande voet.

  • 02-08-2019 // Tariefafspraken zzp-ers toegestaan?

    Mogen zelfstandigen zonder personeel collectief afspraken maken over hun beloning om aan een minimuminkomen te komen? Staat de Mededingingswet dit toe, of is het oneerlijke concurrentie? Over deze vraag heeft de Autoriteit Consument en Markt zich gebogen. Dit heeft geleid tot een concept-Leidraad tariefafspraken zzp’ers. Wat staat erin?

    De Leidraad sluit aan bij de initiatieven van het kabinet om de positie van zzp’ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt te verbeteren. Markten werken niet goed als zzp’ers door lage uurtarieven onder het bestaansminimum komen.

    Wat mag wel?
    Soms willen zzp’ers collectieve afspraken maken over hogere tarieven. Dat mag meestal niet, omdat prijsafspraken tussen ondernemingen de concurrentie vervalsen wat leidt tot hogere prijzen voor consumenten.

    De Leidraad laat zien welke ruimte zzp’ers volgens de Mededingingswet hebben om zulke afspraken te maken. Zzp-ers mogen dat doen als ze:

    • Zij-aan-zij werken met werknemers en daardoor geen onderneming zijn in de zin van de Mededingingswet.
    • Onderling afspreken om het door het kabinet aangekondigde wettelijke minimumtarief (16 euro per uur) in de periode voor de invoering daarvan al te waarborgen.
    • Met hun opdrachtgevers gezamenlijk afspreken dat een hoger minimumtarief nodig is om op een bestaansminimum te komen.

    Zij-aan-zij werken met werknemers
    Zzp’ers die zij-aan-zij werken met één of meer werknemers en in de dagelijkse gang van zaken niet te onderscheiden zijn van die werknemers, zijn voor dat werk geen onderneming in de zin van de Mededingingswet. Het kartelverbod geldt dan niet voor deze zelfstandigen. Zij mogen voor dat werk samen afspraken maken over hun beloning. Dat mag ook in het kader van een cao.

    Aangekondigd wettelijke minimumtarief nu al waarborgen
    Het kabinet heeft aangekondigd dat het in 2021 een wettelijk minimumtarief voor zzp’ers van 16 euro per uur gaat invoeren. Hiermee wil het kabinet zzp’ers beschermen tegen armoede en voorkomen dat zij tegen een te laag tarief ingehuurd worden. Ook voorkomt het dat opdrachtgevers alleen vanwege lagere kosten kiezen om zelfstandigen in te huren wat leidt tot sociale dumping. Omdat het kabinet dit voornemen heeft, zal de Autoriteit Consument en Markt in de periode voor invoering van het minimumtarief geen boetes opleggen bij afspraken tussen zzp’ers om dit minimumtarief nu al te realiseren.

    Tip: Als zzp-er krijgt u dus enige ruimte om met andere zzp-ers tariefafspraken te maken.