"FR Accountancy zorgt dat er
achteraf geen verrassingen zijn"

Nieuws

  • 20-11-2020 // Toezicht arbeidsrelaties zzp-ers

    Elk halfjaar stuurt het kabinet de Tweede Kamer een update over de voorgenomen maatregelen rond het werken als zelfstandige. Er is mede vanwege de coronacrisis sprake van een aangepast tijdpad. Zo start de beoogde pilot met de webmodule pas in januari 2021. Deze gaat minimaal zes maanden duren. Wat zijn de gevolgen voor controle en handhaving in concrete situaties?

    Pilot webmodule
    Via de pilot kan worden getest of de webmodule in de praktijk behulpzaam is voor opdrachtgevers bij het verduidelijken van de aard van de arbeidsrelatie en – zo nodig – bij het vormgeven van de arbeidsrelatie. De pilotfase kan leiden tot verbetering van de webmodule voordat deze eventueel definitief wordt ingezet en mogelijk juridische consequenties krijgt.

    Handhaving
    Oorspronkelijk zou de controle op arbeidsrelaties en handhaving met mogelijk boetes al in januari 2021 starten. 

    Nu is medegedeeld dat het kabinet pas na afloop van de pilot webmodule en de evaluatie daarvan beslist op welk moment de handhaving weer (gefaseerd) wordt opgestart. Op z’n vroegst is dat 1 oktober 2021.

    Let op: Het uitstel van handhaving betekent niet dat de Belastingdienst en de Inspectie SZW geen toezicht houden (zoals bedrijfsbezoeken afleggen, voorlichting geven, boekenonderzoeken doen). De Belastingdienst kan tot in ieder geval 1 oktober 2021 echter alleen handhaven (correcties aanbrengen en/of boetes opleggen) indien er sprake is van kwaadwillendheid of indien aanwijzingen niet binnen een redelijke termijn zijn opgevolgd.

  • 20-11-2020 // Verhuur via Airbnb toch belast

    Een huiseigenaar verhuurt af en toe een deel van zijn huis via Airbnb. Het gaat om een slaapkamer met badruimte en eigen toilet, met gemeenschappelijk gebruik van onder meer de keuken en de huiskamer. Op jaarbasis bedraagt de huur € 1.629. Is deze belast met inkomstenbelasting, en zo ja hoe dan?

    Rechtbank en gerechtshof: onbelast
    De huiseigenaar gaat er vanuit dat de verhuur onbelast is. De Belastingdienst legt een navorderingsaanslag op en telt 70% van de huurinkomsten bij als voordelen uit het tijdelijk ter beschikking stellen van de eigen woning. De rechtbank en in hoger beroep het gerechtshof stellen de huiseigenaar in het gelijk. Volgens het gerechtshof is op deze verhuur de kamerverhuurvrijstelling van toepassing.

    Hoogste rechter: belast
    Uiteindelijk komt de Hoge Raad eraan te pas. Die oordeelt dat de kamerverhuurvrijstelling niet geldt. Voor deze vrijstelling is namelijk vereist dat ook de tijdelijke huurder voor de duur van zijn verblijf op het adres is geregistreerd in de basisregistratie personen. En dat was niet het geval.

    Tip: Bij tijdelijke verhuur van een gedeelte van uw eigen woning via Airbnb is in de meeste gevallen  70% van de ontvangen huurinkomsten bij u belast als voordeel uit eigen woning.

  • 20-11-2020 // Bedoeling contract ZZP-er irrelevant

    Werkt u als zelfstandige of huurt u zelfstandigen in? Dan weet u dat de juridische en fiscale beoordeling van het verschil tussen zelfstandigheid en arbeidsovereenkomst belangrijk is en gecompliceerd ligt. De hoogste rechter heeft onlangs in een uitspraak een nieuw geluid over deze beoordeling laten horen, met mogelijk grote gevolgen.

    De zaak
    Het ging om een mevrouw die werkloos en gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Ze ging via een zogenaamde plaatsingsovereenkomst in het kader van haar re-integratie met behoud van uitkering aan het werk als medewerkster servicedesk bij de gemeente. Het stoorde haar dat er om haar heen collega’s exact hetzelfde werk deden op basis van een gewone arbeidsovereenkomst tegen een veel hoger salaris. Uiteindelijk is ze naar de rechter gestapt, waarbij haar advocaat claimde dat ze feitelijk een arbeidsovereenkomst had als medewerkster servicedesk met recht op de bijbehorende beloning.

    Kantonrechter en gerechtshof in hoger beroep
    De kantonrechter en het gerechtshof in hoger beroep wijzen haar claim af.

    Volgens het gerechtshof was juist de bedoeling van de re-integratieregeling dat een participatieplaats niet tot een arbeidsovereenkomst zou leiden. Bovendien was het niet de bedoeling van partijen om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Partijen hebben een plaatsingsovereenkomst gesloten. Daarin is overeengekomen dat mevrouw tijdens de plaatsingsperiode bij het UWV Werkbedrijf als werkzoekende ingeschreven zou blijven en dat de overeenkomsten zouden worden beëindigd als ze regulier werk zou vinden. Hiermee staat vast dat het in ieder geval niet de bedoeling van de gemeente is geweest om een arbeidsovereenkomst aan te gaan.

    Hoge Raad
    De hoogste rechter doet een uitspraak die afwijkt van eerdere rechtspraak.

    De arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Als de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

    Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. De bedoeling van partijen speelt dus geen rol bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

    Let op: In nagenoeg alle (ook: goedgekeurde model-)overeenkomsten met zzp-ers staat een bepaling dat partijen uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Die bepaling is gebaseerd op oudere rechtspraak. De Hoge Raad zet in deze nieuwe uitspraak de partijbedoeling aan de kant. Dit kan grote gevolgen hebben voor de beoordeling van arbeidsrelaties van zelfstandigen en de criteria die daarbij worden gehanteerd.

  • 20-11-2020 // NOW 3 aanvragen

    Van 16 november tot en met 13 december 2020 kunt u als werkgever de derde tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW 3) aanvragen. Voor het aanvragen van NOW 3 maakt het niet uit of u ook NOW 1 of NOW 2 hebt aangevraagd of ontvangen. Het gaat bij NOW 3 om omzetverlies in de periode oktober tot en met december 2020. Wat zijn de belangrijkste voorwaarden?

    Belangrijkste voorwaarden NOW 3

    • U hebt drie aaneengesloten maanden een omzetverlies van minimaal 20%.
    • De tegemoetkoming bedraagt maximaal 80% van de loonkosten.
    • De loonsom mag met 10% dalen zonder dat dit ten koste gaat van de definitieve tegemoetkoming.
    • Als u een aanvraag doet voor bedrijfseconomisch ontslag, dan heeft u een inspanningsplicht om uw werknemers te begeleiden naar ander werk.
    • Als u een aanvraag doet voor bedrijfseconomisch ontslag, heeft u ook de plicht dit te melden via UWV Telefoon NOW.

    Eenmalige keuze periode
    Als u voor het eerst NOW aanvraagt of als u geen tegemoetkoming NOW voor de tweede aanvraagperiode toegekend heeft gekregen, dan kunt u kiezen uit omzetverlies vanaf:

    • 1 oktober: u geeft dan uw percentage omzetverlies door over oktober, november en december 2020.
    • 1 november: u geeft dan uw percentage omzetverlies door over november en december 2020 en januari 2021.
    • 1 december: u geeft dan uw percentage omzetverlies door over december 2020 en januari en februari 2021.

    De gekozen 3 maanden waarin u omzetverlies verwacht, kunt u niet meer aanpassen.

    Tip: Alle informatie over de aanvraag en de tegemoetkoming vindt u hier.

  • 06-11-2020 // Rekening-courant eigen BV wordt onzakelijk

    Een kapper drijft een kapperszaak in een VOF met zijn echtgenote. Daarnaast heeft hij een BV met een nieuwe winkelformule gericht op verkoop van haarverzorgingsproducten. De VOF en de BV sluiten een rekening courantovereenkomst. Na enige jaren verkoopt de BV de winkelformule met verlies. De VOF heeft dan € 158.000 tegoed van de BV. Daarvan wordt € 118.000 afgeboekt wegens oninbaar. De Belastingdienst schrapt deze aftrekpost.

    Hoofdregel
    Indien en voor zover een geldverstrekking door een aandeelhouder aan een vennootschap plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door die aandeelhouder een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, moet - behoudens bijzondere omstandigheden - ervan worden uitgegaan dat die aandeelhouder dat debiteurenrisico in zoverre heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de vennootschap in zijn hoedanigheid als aandeelhouder te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening in zoverre niet in mindering op de winst van de onderneming kan worden gebracht.

    Toename rekening courant door inroepen hoofdelijke aansprakelijkheid
    Onderdeel van de rekening-courantvordering van de VOF op de BV is een bedrag van € 103.000, dat de bank heeft verhaald op de VOF omdat de BV na verkoop van de winkelformule insolvabel was. De bank heeft zo de hoofdelijke aansprakelijkheid ingeroepen die in de financieringsovereenkomst was afgesproken.

    De rechter ziet de financieringsovereenkomst als een zogenoemde paraplu-financiering. Het aanvaarden door de VOF van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schulden van de BV was onzakelijk. Dit betekent dat geen afwaardering ten laste van de winst van de VOF kan worden gebracht met betrekking tot dit deel van de rekening-courantvordering.

    Beoordeling restant rekening-courant
    Bij een rekening-courant is sprake van diverse momenten waarop de VOF gelden aan de BV heeft verstrekt. Steeds zal dan ook moeten worden beoordeeld of elke geldverstrekking op zichzelf op dat moment aangemerkt moet worden als het aanvaarden van een debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.

    Bij het aangaan van de rekening-courantverhouding was geen sprake van een onzakelijke lening. De BV ging een nieuwe activiteit opstarten. De kapper had vooraf een extern onderzoek laten doen naar de financiële haalbaarheid. Hij had geen reden om te twijfelen aan dit externe rapport, zeker nu de bank bereid was tot financiering.

    Ook het feit dat in de eerste jaren van de opstart van deze onderneming verliezen worden geleden, betekent niet dat op dat moment een derde niet langer bereid zou zijn geweest een dergelijk debiteurenrisico te nemen. De opstart van een nieuwe onderneming vergt in het begin veelal extra investeringen en inspanningen alvorens de beoogde resultaten worden behaald. Dit betekent dan ook niet dat een financiering direct moet worden gestopt wanneer de resultaten in zo’n opstartfase tegenvallen. Vervolgens was in 2008 sprake van het begin van de economische crisis, waarvan niet kon worden voorzien hoe lang deze zou aanhouden. Het verder financieren van de activiteiten van de BV, mede in het licht van het feit dat de BV tevens een leverancier voor de VOF was, vindt de rechter nog steeds niet onzakelijk.

    Dit wordt echter anders op het moment dat de BV haar winkelformule overdraagt aan een derde. De potentiële winstgevende activiteit verdwijnt dan, en was er geen zicht op nieuwe activiteiten die mogelijk winstgevend zouden zijn. De verdere toename van de rekening-courantvordering na de overdracht vormt daarom een onzakelijke lening.

    De rechter stelt vast dat direct na de overdracht van de winkelformule het saldo van de rekening-courantvordering € 85.000 was. Nadien hebben er aflossingen plaatsgevonden van totaal € 54.000. Voor het verschil, € 31.000, is een afwaardering mogelijk ten laste van het resultaat van de VOF.

    Tip: Een oplopend rekening-courantsaldo in gelieerde verhoudingen vraagt aandacht. Zo kan vanaf een bepaald moment een verdere toename fiscaal een onzakelijke lening worden. Eventueel verlies op dat gedeelte is dan niet aftrekbaar.