Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen?

Als registeraccountant volg ik jaarlijks diverse cursussen om mijn vakkennis uit te breiden en op de hoogte te zijn van de nieuwste wet- en regelgeving.

Hieronder vindt u het laatste nieuws uit de sector. Wilt u weten hoe dit op uw onderneming of persoonlijke situatie van invloed is? Neem dan contact met mij op.

  • 22-09-2022 // Geen bezwaar, rechtsherstel Box 3?

    Het kabinet heeft verschillende scenario’s uitgewerkt voor rechtsherstel aan de niet-bezwaarmakers. Deze variëren van volledig rechtsherstel tot rechtsherstel toegespitst op spaarders met kleinere vermogens in Box 3. Op Prinsjesdag is het kabinetsbesluit hierover gepubliceerd. Wat heeft het kabinet besloten en waarom?

    Het hanteren van een grens qua vermogen in het rechtsherstel of een maximering van het herstelbedrag zou opnieuw kunnen leiden tot een ongeoorloofd onderscheid tussen vergelijkbare belastingplichtigen.

    In het scenario van een grensbedrag, waarbij belastingplichtigen met bijvoorbeeld meer dan € 200.000 vermogen geen rechtsherstel krijgen, wringt het dat grote spaarders in absolute zin een groter nadeel hebben ondervonden van het stelsel in Box 3 dan kleine spaarders. Ze hebben meer belasting betaald. Bovendien is relatief gezien het nadeel voor grote en kleine spaarders vergelijkbaar of zelfs groter voor grote spaarders. De grote spaarder betaalt door de werking van het heffingvrije vermogen en de opbouw van de schijven een groter percentage van zijn vermogen aan belasting. Daarom is het moeilijk te rechtvaardigen dat de groep grote spaarders geen herstel ontvangt, als kleine spaarders daar wel voor in aanmerking komen.

    In een scenario waarbij iedereen in aanmerking komt voor bijvoorbeeld maximaal € 500 rechtsherstel, zit het pijnpunt dat belastingplichtigen met een gelijk vermogen maar met een hoger aandeel spaargeld, relatief gezien een kleiner aandeel van hun nadeel gecompenseerd krijgen dan mensen met een lager aandeel spaargeld.

    Het kabinet heeft de budgettaire gevolgen, de juridische houdbaarheid en de uitvoeringsgevolgen van de verschillende scenario’s gewogen. De actualiteit van ongekend hoge inflatie die een toenemend aantal huishoudens in financiële problemen brengt, vraagt om actie. Gelet op deze achtergrond heeft het kabinet besloten om de beperkt beschikbare budgettaire middelen in te zetten voor het ondersteunen van de koopkracht van burgers en om geen herstel te bieden aan niet-bezwaarmakers.

    Let op: Er is wel een Wetsvoorstel Wet Rechtsherstel Box 3 ingediend, maar dit regelt het rechtsherstel voor degenen die wel tijdig bezwaar hebben gemaakt.

  • 22-09-2022 // Belastingplannen Prinsjesdag: DGA

    Ook voor de DGA zijn er op Prinsjesdag fiscale kabinetsplannen voor 2023 gepresenteerd. Enkele voorstellen waren al eerder aangekondigd. We geven een hierna overzicht van de maatregelen die gevolgen hebben voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een BV.

    Verhogen vennootschapsbelasting (VPB)
    Bedrijven gaan per 2023 meer vennootschapsbelasting betalen over hun winst. Het lage VPB-tarief over de eerste schijf gaat omhoog van 15% naar 19%. De schijfgrens gaat omlaag van € 395.000 naar € 200.000.

    Afschaffing doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon DGA
    Bij het vaststellen van het gebruikelijk loon kan de meest vergelijkbare dienstbetrekking gebruikt worden. Het loon van de DGA mag in 2022 op minimaal 75% hiervan worden vastgesteld. Het verschil van 25 procentpunten wordt de ‘doelmatigheidsmarge’ genoemd. Voorgesteld wordt deze marge per 2023 af te schaffen. In veel gevallen zal het gebruikelijk loon van de DGA hierdoor moeten worden verhoogd.

    Box 2 krijgt twee schijven
    Per 2024 betaalt iemand met een aanmerkelijk belang (van minimaal 5%) in een BV 24,5% belasting over inkomen in Box 2 tot € 67.000 en 31% over het meerdere.

    Lager gebruikelijk loon DGA startup vervalt
    Een DGA van een innovatieve startup mag in 2022 onder voorwaarden het wettelijk minimumloon nemen als gebruikelijk loon, of, als dat lager is, het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. De minimum loonregeling vervalt per 2023.

    Tip: Bent u DGA? Lees dan ook onze artikelen over de Belastingplannen in het algemeen en voor ondernemers. Mogelijk zijn deze ook voor u van belang.

  • 22-09-2022 // Belastingplannen Prinsjesdag: ondernemer

    Voor de ondernemer (zonder eigen BV) zijn er op Prinsjesdag ook fiscale kabinetsplannen voor 2023 gepresenteerd. Enkele voorstellen waren al eerder aangekondigd. We geven hierna een overzicht van maatregelen die specifiek van belang zijn voor inkomstenbelasting-ondernemers.

    Einde fiscale oudedagsreserve (FOR)
    Ondernemers kunnen nu nog belastingheffing over een deel (9,44%) van hun winst uitstellen door toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve. Per 2023 is toevoeging aan de FOR niet meer mogelijk. De opgebouwde oudedagsreserve tot en met 31 december 2022 kan volgens de huidige regels worden afgewikkeld.

    Afschaffen vrijstelling BPM bestelauto’s
    Ook ondernemers gaan  BPM betalen als zij een bestelauto kopen die rijdt op benzine, diesel of gas. Hoeveel hangt af van de CO2-uitstoot van de bestelauto. Emissievrije bestelauto’s behouden een vrijstelling. Deze regeling gaat pas in 2025 gelden.

    Meer budget voor MIA en EIA
    Het budget van de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Energie-Investeringsaftrek (EIA) wordt per 2023 verder verruimd. Bedrijven kunnen zo makkelijker investeren in energiebesparende en milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen.

    Zelfstandigenaftrek verder omlaag
    Per 2023 wordt de zelfstandigenaftrek sneller afgebouwd. Van € 6.310 in 2022 gaat deze naar € 5.030 in 2023. Daarna daalt deze verder tot € 1.200 in 2026 en € 900 in 2027. De verhoging van de zelfstandigenaftrek voor starters, de startersaftrek, blijft ongewijzigd.

    Middelingsregeling vervalt
    In 2023 wordt de middelingsregeling afgeschaft. Deze regeling kan nu nog voor ondernemers met sterk wisselende inkomens belastingverlaging betekenen.

    Tip: Bent u ondernemer zonder eigen BV? Lees dan ook ons artikel over de Belastingplannen in het algemeen. Mogelijk is dit ook voor u van belang.

  • 22-09-2022 // Belastingplannen Prinsjesdag: algemeen

    Op Prinsjesdag zijn de fiscale kabinetsplannen voor 2023 gepresenteerd. Enkele voorstellen waren al eerder aangekondigd. We geven hierna een overzicht van de maatregelen die de meeste belastingplichtigen aangaan. De maatregelen die met name zijn gericht op ondernemers en DGA’s behandelen we in afzonderlijke artikelen.

    Hogere onbelaste reiskostenvergoeding
    Werkgevers mogen hun werknemers meer belastingvrij gaan vergoeden voor gemaakte reiskosten. In 2022 is het nog € 0,19 per kilometer, in 2023 wordt dat € 0,21 en in 2024 € 0,22.

    Verhoging arbeidskorting voor werkenden
    Het kabinet wil de arbeidskorting vanaf 1 januari 2023 jaarlijks verhogen. Deze verhoging is voordelig voor werknemers en ondernemers met een arbeidsinkomen tot € 115.000. Ook zorgt de verhoging ervoor dat meer werken aantrekkelijker wordt voor mensen met een inkomen tussen de € 11.000 en € 37.000. Per 2023 gaan werkenden er met een hogere arbeidskorting netto tot ruim € 500 per jaar op vooruit. Zowel werknemers als zelfstandigen profiteren hiervan.

    Inkomstenbelasting omlaag
    Per 2023 betalen mensen minder belasting over een jaarinkomen tot € 73.071. Het tarief van de 1e schijf wordt 36,93%. Mensen houden netto maximaal € 102 per jaar meer over. Bij een jaarinkomen van € 50.000 is dit € 70.

    Geleidelijk stoppen met inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)
    De inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) wordt vanaf 2025 geleidelijk afgeschaft. Ouders krijgen IACK totdat het (jongste) kind dat voor 1 januari 2025 geboren is twaalf jaar oud is (dus uiterlijk tot 2037). Ouders met het eerste kind geboren na 1 januari 2025 hebben geen recht op IACK.

    Steun voor werkgevers
    Per 2023 worden de loonkosten voor werkgevers verlaagd door de Aof-premie voor kleine werkgevers te verlagen en de vrije ruimte in de Werkkostenregeling te verruimen van 1,7% naar 1,92%.

    Box 3 Herstel- en Overbruggingswetgeving
    Tot en met 2025 wordt in Box 3 uitgegaan van de werkelijke verdeling van spaargeld, beleggingen en schulden. Het tarief is nu 31%. Het wordt jaarlijks met 1% verhoogd naar 34% in 2025. Het heffingsvrij vermogen wordt circa € 57.000.

    Afbouwen schenkingsvrijstelling eigen woning
    Per 2023 gaat deze vrijstelling van € 106.671 naar € 28.947 en per 2024 wordt deze helemaal afgeschaft.

    Overdrachtsbelasting algemeen tarief omhoog
    Het kabinet wil de positie van starters en doorstromers ten opzichte van beleggers op de koopwoningmarkt verbeteren. Het tarief voor de overdrachtsbelasting voor kopers die de woning niet zelf gaan bewonen (beleggers) wil het kabinet per 2023 verhogen van 8% naar 10,4%. Voor starters onder de 35 jaar geldt dat ze geen overdrachtsbelasting hoeven te betalen bij aankoop van hun woning. Kopers vanaf 35 jaar die de woning zelf gaan bewonen, blijven 2% overdrachtsbelasting betalen.

    Aanpassen percentages leegwaarderatio
    De leegwaarderatio vermindert de waarde van verhuurde woningen. De waarde van verhuurde woningen wordt bepaald door de WOZ-waarde te vermenigvuldigen met de leegwaarderatio. Het kabinet gaat de percentages in de leegwaarderatio per 1 januari 2023 verhogen. Verhuurders gaan daardoor meer inkomstenbelasting betalen in Box 3 en meer schenk- en erfbelasting.

    BTW-nultarief zonnepanelen op woningen
    Per 2023 gaat de BTW op de aankoop en plaatsing van zonnepanelen op een woning van 21% naar 0%. Dit scheelt administratie omdat geen BTW meer hoeft te worden teruggevraagd.

    Verhogen vliegbelasting
    Het tarief per vertrekkende passagier vanuit Nederland gaat van € 7,95 in 2022 naar € 26,43 in 2023.

    Aanscherping CO2-heffing
    Vanaf 2023 krijgt de industrie minder vrijstelling voor CO2-uitstoot. Dit stimuleert duurzamere productie met minder uitstoot.

    Verhogen tabaksaccijns
    Sigaretten, shag en sigaren worden in twee stappen duurder. Per 1 april 2023 komt er een stijging met € 1,22 (incl. BTW) en eenzelfde stijging volgt per 1 april 2024. Een pakje sigaretten (20 stuks) zal in 2024 gemiddeld € 10 kosten.

    Verhoging verbruiksbelasting alcoholvrije dranken
    Per 2023 komt er een 1e verhoging van het tarief voor frisdrank naar ruim 20 cent per liter (incl. bieren tot 0,5% alcohol).

    Verlaging accijns op brandstof
    De al doorgevoerde accijnsverlaging wordt in 2023 verlengd. De tarieven blijven tot en met juni 2023 gelijk aan de tarieven van 2022. Van juli tot en met december 2023 wordt de accijnsverlaging afgebouwd.

    Middelingsregeling vervalt
    In 2023 wordt de middelingsregeling afgeschaft. Deze regeling kan nu nog voor mensen met sterk wisselende inkomens belastingverlaging betekenen.

    Tip: Bent u DGA of ondernemer? Lees dan ook onze artikelen over de Belastingplannen voor de DGA en de ondernemer. Mogelijk zijn deze ook voor u van belang.

  • 09-09-2022 // Versoepeling betalingsregeling belastingschulden corona

    Het kabinet heeft besloten om in bijzondere gevallen de betalingsregeling te versoepelen voor de belastingschuld die is opgebouwd tijdens het bijzonder uitstel van betaling vanwege de coronacrisis. Uiterlijk 20 september 2022 wordt het besluit hierover gepubliceerd in de Staatscourant. Welke versoepelingen komen er, vanaf wanneer kunt u een verzoek indienen en welke voorwaarden zullen ervoor gelden?

    Welke versoepelingen komen er?
    Als u aan bepaalde voorwaarden voldoet, kunt u de Belastingdienst vragen:

    • of u 1 keer een betaalpauze van 3 maanden mag nemen.
    • of u per kwartaal mag betalen, in plaats van per maand.
    • of u maximaal 7 jaar (84 maanden) mag doen over het afbetalen van uw belastingschuld door het bijzonder uitstel, in plaats van 5 jaar (60 maanden).

    Dien nog geen verzoek in
    U krijgt vóór 1 oktober 2022 een brief met een overzicht van uw totale belastingschuld, de voorwaarden van de betalingsregeling en het maandbedrag van de betalingsregeling. Wilt u een verzoek doen om de betalingsregeling aan te passen? Wacht daar dan even mee. Uiterlijk 20 september 2022 zijn alle voorwaarden definitief. Eerder kan de Belastingdienst uw verzoek daarom niet in behandeling nemen. Uiteraard kunt u wel alvast starten met het verzamelen van de benodigde documenten.

    Voorwaarden betaalpauze
    U kunt een betaalpauze van 3 maanden aanvragen als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • U hebt vanaf 1 april 2022 steeds voldaan aan uw nieuwe betalingsverplichtingen voor de belastingen waarvoor u aangifte doet. En u blijft dat ook doen.
    • In een brief motiveert u waarom u een betaalpauze nodig hebt. En u maakt aannemelijk dat uw betalingsproblemen tijdelijk zijn.

    Voorwaarden betaling per kwartaal
    U kunt vragen of u per kwartaal mag betalen als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • U hebt vanaf 1 april 2022 steeds voldaan aan uw nieuwe betalingsverplichtingen voor de belastingen waarvoor u aangifte doet. En u blijft dat ook doen.
    • In een brief motiveert u waarom u per kwartaal wilt betalen.

    Voorwaarden verlenging betalingsregeling
    U kunt vragen of u maximaal 7 jaar (84 maanden) mag doen over het afbetalen van uw belastingschuld als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • Uw belastingschuld door het bijzonder uitstel is € 10.000 of hoger.
    • U hebt vanaf 1 april 2022 steeds voldaan aan uw nieuwe betalingsverplichtingen voor de belastingen waarvoor u aangifte doet. En u blijft dat ook doen.
    • U hebt geen pre-coronaschuld (een schuld voor belastingen waarvoor u bijzonder uitstel hebt aangevraagd die u al vóór 12 maart 2020 had moeten betalen). Of u hebt wel een pre-coronaschuld, maar u had vóór 12 maart 2020 al (bijzonder) uitstel van betaling.
    • In een brief motiveert u waarom u de betalingsregeling wilt verlengen. En u maakt aannemelijk dat u uw belastingschuld niet binnen 5 jaar kunt afbetalen, maar wel binnen 7 jaar.
    • U stuurt de Belastingdienst een liquiditeitsprognose voor de komende 2 jaar. In het beleidsbesluit van 20 september 2022 volgt hier nadere informatie over.
    • Is uw belastingschuld door het bijzonder uitstel € 50.000 of hoger? Dan stuurt u de Belastingdienst ook:
      • jaarstukken van de laatste 3 kalenderjaren.
      • een verklaring van een derde deskundige (bijvoorbeeld een accountant) dat uw onderneming levensvatbaar is.

    Betaal vanaf oktober 2022 de maandbedragen
    Hebt u een verzoek ingediend om de betalingsregeling aan te passen, maar hebt u nog geen bericht van de Belastingdienst gekregen? Dan dient u vanaf oktober 2022 de maandbedragen volgens de betalingsregeling te betalen. En dat blijft u doen totdat u van de Belastingdienst bericht krijgt over een versoepeling van uw betalingsregeling. In het beleidsbesluit van 20 september 2022 volgt meer informatie over de termijn waarbinnen u dit bericht mag verwachten.

    Tip: Kunt u de maandbedragen niet volledig betalen? Betaal dan wat u wel kunt. De Belastingdienst stopt de betalingsregeling dan niet meteen. Er wordt altijd eerst contact met u opgenomen.

  • 09-09-2022 // Rittenadministratie sluit niet

    Een werknemer met een auto van de zaak heeft een verklaring geen privégebruik. De werkgever krijgt van de Belastingdienst het verzoek om een vragenformulier Loonheffingen Geen Privégebruik Auto in te vullen en een rittenregistratie te overleggen. Een praktijkgeval dat uiteindelijk bij de belastingrechter terecht komt.

    Vragenformulier en nader bewijs
    In reactie op het verzoek stuurt de werkgever het ingevulde vragenformulier met daarbij een rittenregistratie (de eerste rittenregistratie) naar de Belastingdienst.

    Dan volgt een verzoek van de Belastingdienst om nader bewijs te leveren. De eerste rittenregistratie voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen. De werkgever komt met nader bewijs, maar ontvangt weer een vragenbrief. Dit herhaalt zich nog drie maal. De reacties van de werkgever blijven volgens de Belastingdienst echter onvoldoende sluitend. Er volgt een naheffingsaanslag met boete.

    Bezwaarprocedure
    In de bezwaarprocedure tegen de aanslag komt de werkgever met een aangepaste rittenregistratie (de tweede rittenregistratie). Het bezwaar wordt ongegrond verklaard omdat er verschillen zijn tussen de eerste en de tweede rittenregistratie, en omdat  kilometerstanden die niet aansluiten bij de sleutelhistorie.

    Procedure bij de rechter
    Volgens de wet blijft een bijtelling alleen achterwege als de werkgever overtuigend kan aantonen dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Op de werkgever rust dus een verzwaarde bewijslast. Hiertoe kan een sluitende rittenregistratie worden bijgehouden. Het bewijs mag echter ook op een andere wijze worden geleverd.

    De werkgever heeft op de zitting gesteld dat uitgegaan dient te worden van de tweede rittenregistratie. Deze voldoet echter niet aan de vereisten. Bovendien wijkt de tweede rittenregistratie af van de eerste, is ook de tweede rittenregistratie niet sluitend en heeft de werkgever de door de Belastingdienst geconstateerde verschillen erkend. In de tweede rittenregistratie is bovendien ongeveer 3.800 kilometer verantwoord met als omschrijving “omrijkilometers/lunch/werkbezoek/parkeren/diner/overnachtingen/broodje onderweg, parkeren”, terwijl de gereden routes en bezochte adressen voor deze extra kilometers niet zijn vermeld.

    Oordeel rechter
    Daarom kan aan de tweede rittenregistratie niet de vereiste bewijskracht worden ontleend. Naar het oordeel van de rechter is de werkgever dan ook niet geslaagd in de op hem rustende zware bewijslast om aan de hand van een rittenregistratie aan te tonen dat met de auto niet meer dan 500 kilometer privé is gereden.

    De werkgever heeft met wat hij heeft aangevoerd en met de overgelegde stukken ook anderszins niet doen blijken dat met de auto niet meer dan 500 kilometer privé is gereden. De enkele stelling dat de werknemer ook twee andere auto’s tot zijn beschikking heeft, is onvoldoende. De aanwezigheid van andere vervoersmiddelen sluit immers niet uit dat (ook) met deze auto meer dan 500 kilometer per jaar in privé wordt gereden.

    Let op: Zonder een sluitende rittenregistratie maakt u het zichzelf heel moeilijk om bij een controle door de Belastingdienst bijtelling met boete te voorkomen.

  • 09-09-2022 // Investeringsaftrek voor B&B-gedeelte woning

    Een echtpaar exploiteert een Bed and Breakfast (B&B). In hun woning hebben ze een apart B&B-gedeelte laten maken met een eigen opgang. Gasten gebruiken daar het ontbijt in een gezamenlijke ruimte met kitchenette. De drie gastenkamers zijn elk voorzien van een koelkast, een douchecabine, wastafel en toilet. De Belastingdienst schrapt de geclaimde investeringsaftrek - bijna € 16.000 - over de investeringen in het B&B-deel. Terecht?

    Wet
    Volgens de wet behoren voor de investeringsaftrek niet tot de bedrijfsmiddelen: woonhuizen met inbegrip van de gedeelten van andere zaken die dienen voor bewoning. De vraag is nu of de gastenkamers in het B&B-deel als woonhuis of woongedeelte zijn aan te merken.

    Rechter toetst deze situatie aan de wet
    Volgens de rechter gaat het er om of de gastenkamers gedeelten van de opstal zijn die naar aard en inrichting woningen zijn, en zijn bestemd om als zodanig te worden gebruikt. En dat is niet het geval.

    Gelet op de beperkte ruimte in de gastenkamers en de minimale faciliteiten is niet aannemelijk dat de gasten langere tijd in de kamers kunnen verblijven en deze, al dan niet tijdelijk, als woning kunnen gebruiken. De gastenkamers in deze B&B hebben namelijk niet elk een afzonderlijke toegang en geen eigen kookgelegenheid. Zelfstandig wonen is daarom niet mogelijk. De kamers worden ook niet als woning ter beschikking gesteld.

    De Belastingdienst heeft dus ten onrechte de investeringsaftrek geschrapt.

    Tip: De inrichting van uw B&B, de toegang, maar ook de manier waarop u deze in de markt zet, bepalen of u voor de investeringen recht heeft op investeringsaftrek.

  • 09-09-2022 // Onbelaste thuiswerkvergoeding 2023

    Hybride werken (combinatie van thuiswerken en werken op locatie) draagt bij aan vermindering van CO2-uitstoot, piekbelasting in het openbaar vervoer, krapte op de huizenmarkt en aan een goede werk-privé balans. Een passende thuiswerkvergoeding voor werknemers helpt hierbij. Maar wat is het effect van de stijgende energieprijzen?

    Huidige thuiswerkvergoeding
    In een rapport van augustus 2021 heeft het Nibud, in opdracht van het Ministerie van Financiën, berekend dat de gemiddelde kosten om thuis te werken ongeveer € 2 per werkdag per persoon bedragen. Deze berekening is gebruikt bij invoering van de huidige onbelaste thuiswerkvergoeding.

    In de wet is vastgelegd dat dit bedrag vervolgens jaarlijks wordt geïndexeerd. Daarmee wordt rekening gehouden met de inflatie. De correctiefactor komt naar verwachting uit op 1,063, waardoor de vrijstelling per 1 januari 2023 – zonder rekening te houden met eventuele afronding – verhoogd zal worden van € 2 naar € 2,13.

    Werkelijke kosten ruim 50% gestegen
    In maart 2022 heeft het Nibud echter op eigen initiatief berekend dat thuiswerken door de gestegen energieprijzen duurder is geworden. De gemiddelde kosten om thuis te werken bedragen nu ongeveer € 3,05 per werkdag per persoon.

    Antwoord op Kamervragen hierover
    De regeling wordt niet aangepast. Pas bij de periodieke evaluatie van de werkkostenregeling in 2022/2024 wordt bekeken of het forfait nog aansluit bij de gemiddelde werkelijke kosten die werknemers in de praktijk maken.

    Tip: Wellicht kunt u de vrije ruimte in de werkkostenregeling inzetten om een meer passende thuiswerkvergoeding op een fiscaal vriendelijke manier vorm te geven. We helpen u hier graag bij.    

  • 09-09-2022 // Nieuw Box 3-stelsel pas in 2026

    Het kabinet wil belasting gaan heffen over het werkelijke rendement in Box 3. In het coalitieakkoord is afgesproken om dit stelsel in 2025 in te voeren. Het kabinet heeft inmiddels besloten om dit uit te stellen tot 2026. De overbruggingswetgeving volgens de zogenaamde spaarvariant blijft daarom een jaar langer bestaan. Spaarders zullen tijdens de overbruggingsfase vrijwel geen belasting in Box 3 betalen als het rendement op spaargeld op het huidige lage niveau blijft.

    Waarom uitstel?
    De uitspraak over Box 3 van de Hoge Raad eind december vorig jaar heeft druk gelegd op het tijdpad. Daarom is besloten om opnieuw een onderzoek te laten doen naar de haalbaarheid. Eind 2021 werd aangenomen dat het tijdpad haalbaar was onder drie randvoorwaarden, waaronder het uitblijven van aanvullende beleidsinitiatieven. Onder andere als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad en de daarmee samenhangende nieuwe wetgeving, zowel voor het rechtsherstel als de overbruggingswetgeving, wordt niet meer aan deze randvoorwaarden voldaan.

    In het nieuwe onderzoek is rekening gehouden met de actuele stand van alle zaken die van invloed zijn op het tijdpad, zoals het wetgevend traject, de modernisering van het ICT-landschap van de Belastingdienst en de samenwerking met de ketenpartners, zoals banken en verzekeraars. Uit het onderzoek volgt dat een succesvolle implementatie in 2025 niet realistisch is.

    Nieuw Box 3-stelsel
    Uitgangspunt wordt dat het vermogen inkomsten oplevert, bijvoorbeeld rente op spaargeld, of rendement op beleggingen. Er wordt nu nog gerekend met een vast percentage waar u belasting over betaalt. Het kabinet wil dat aanpassen, waardoor u alleen belasting betaalt over uw echte inkomsten uit vermogen. 

    Overbruggingswetgeving
    Voor de tussenliggende jaren komt het kabinet met overbruggingswetgeving. In die tijdelijke wetgeving wordt uitgegaan van de werkelijke verdeling van spaargeld en beleggingen en van het werkelijke rendement daarop, in plaats van een fictieve verdeling. Hierdoor wordt al zo goed mogelijk aangesloten bij het werkelijk behaalde rendement. Spaarders betalen – net zoals bij het stelsel op basis van werkelijk rendement – bij de huidige lage rentestanden daardoor vrijwel geen belasting in Box 3.

    Let op: De overbruggingswetgeving wordt met Prinsjesdag naar de Tweede Kamer gestuurd. Op Prinsjesdag maakt het kabinet ook de besluitvorming over niet-bezwaarmakers in Box 3 bekend.

  • 26-08-2022 // Opleidingsuren tellen niet allemaal mee

    Een zelfstandige voetreflextherapeute volgt twee opleidingen. In het kalenderjaar besteedt zij aan de opleiding voetreflexplus therapeut 451 uren en aan de opleiding medische basiskennis 454 uren.  De opleiding medische basiskennis is een vervolgopleiding van de opleiding tot voetreflexplus therapeut. Volgens de Belastingdienst tellen de opleidingsuren niet mee voor het urencriterium.

    De rechter komt eraan te pas en beoordeelt of de therapeute recht heeft op de zelfstandigen- en startersaftrek. In geschil is of ze voldoet aan het urencriterium.

    Hoofdregel
    Als tijd die in beslag wordt genomen door het drijven van een onderneming geldt alle tijd die wordt besteed aan werkzaamheden die worden verricht met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Tot zodanige werkzaamheden behoort het door een ondernemer volgen van cursussen of opleidingen die zijn gericht op het op peil houden van de vakbekwaamheid die nodig is om de onderneming te kunnen blijven uitoefenen. Onder het op peil houden moet worden begrepen de aanvulling van kennis die is geboden om te voorkomen dat de bestaande ondernemingsactiviteit aan economische betekenis inboet. Daarentegen kunnen uren van opleidingen niet in aanmerking worden genomen indien die opleidingen ertoe strekken nieuwe vakkennis te verwerven en zodoende de vakbekwaamheid uit te breiden waardoor ook de aard van de diensten van de bestaande ondernemingsuitoefening uitbreiding ondergaat.

    Toetsing opleiding tot voetreflexplus therapeut
    De therapeute heeft verklaard dat zij voordat zij de opleiding tot voetreflexplus therapeut had gevolgd, alleen geschoold was voor pedicure behandelingen. De activiteiten van haar onderneming bestonden in het kalenderjaar, na afronding van de opleiding, voornamelijk uit de behandelingen van voetreflexplus therapie. De kennis die zij heeft vergaard met de opleiding tot voetreflexplus therapie dient dan te gelden als nieuwe vakkennis en is niet gericht op het verkrijgen of op peil houden van de vakbekwaamheid die nodig is om de onderneming te kunnen blijven uitoefenen. Het is juist aannemelijk dat zij met de opleiding tot voetreflexplus therapeut nieuwe vakkennis heeft vergaard zodat het mogelijk was om te kunnen starten met de onderneming. De aan deze opleiding bestede uren tellen dan niet mee voor het urencriterium.

    Toetsing opleiding medische basiskennis
    De therapeute heeft een medische achtergrond als polikliniek assistente. Daarom neemt de rechter aan dat ze al medische basiskennis bezat en dat haar behandelingen niet wezenlijk zijn gewijzigd na het volgen van de opleiding. De door de therapeute vergaarde kennis met de opleiding medische basiskennis geldt daarom als het op peil houden van vakbekwaamheid die zij al bezat en het waarborgen van de omvang van de activiteiten, zodat de daaraan bestede uren wel meetellen voor het urencriterium.

    Oordeel rechter
    Hoewel de uren die zijn besteed aan de opleiding medische basiskennis meetellen voor het urencriterium, voldoet de therapeute, ondanks de aan de opleiding tot voetreflectieplus therapeut bestede uren, niet aan het urencriterium. Ze heeft in dit kalenderjaar geen recht op de zelfstandigen- en startersaftrek.

    Let op: In deze tijd met een focus op innovatie komt het wat vreemd over. Maar de uren besteed aan een opleiding die is bedoeld om nieuwe vakkennis te verwerven en zo de vakbekwaamheid en het dienstenpakket uit te breiden, tellen niet mee voor het urencriterium.

  • 26-08-2022 // Verlofsoorten bij gezinsuitbreiding

    Werknemers die hun gezin uitbreiden kunnen recht hebben op verschillende soorten verlof. Dit is geregeld in de Wet arbeid en zorg (WAZO). Het UWV heeft een keuzehulp gepubliceerd voor verlofregelingen die mogelijk zijn volgens deze wet. In deze keuzehulp ziet u op welke soorten verlof de werknemer recht heeft en wat u dan moet regelen.

    De keuzehulp maakt onderscheid tussen de situaties dat de werknemer moeder, partner, adoptie- of pleegouder is.

    In de keuzehulp leest u wanneer een werknemer recht heeft op de volgende verlofregelingen:

    • zwangerschaps- en bevallingsverlof
    • betaald ouderschapsverlof
    • onbetaald ouderschapsverlof
    • geboorteverlof
    • aanvullend geboorteverlof

    In de keuzehulp staat de standaard duur van het verlof. Het verlof kan voor iedere werknemer anders zijn.

    Tip: U vindt de online keuzehulp hier.

  • 26-08-2022 // Gebruikelijk loon werkmaatschappij

    Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft een holding, die een derde van de aandelen van een werkmaatschappij in de schoonmaakbranche bezit. Bij een boekenonderzoek constateert de Belastingdienst dat de DGA werkzaamheden heeft verricht voor de werkmaatschappij. Hij krijgt een navorderingsaanslag met bijtelling van het gebruikelijk loon, destijds € 44.000.

    In de uitspraak op bezwaar verlaagt de Belastingdienst het bijgetelde gebruikelijk loon naar € 20.000. De DGA gaat naar de rechter en stelt dat het gebruikelijk loon voor zijn werkzaamheden maximaal € 1.500 zou moeten zijn.

    Geen reactie gespreksverslag boekenonderzoek
    Uit het gespreksverslag van het boekenonderzoek blijkt dat de DGA in het schoonmaakbedrijf zorgt voor de inroostering van de werknemers en de betaling van de gewerkte uren. De DGA voert bij de rechter aan dat dit niet klopt. Volgens de rechter is dat te laat. De DGA had twee weken de tijd om eventuele onjuistheden in het controlerapport door te geven aan de Belastingdienst en heeft dat destijds achterwege gelaten.

    Daarom neemt de rechter aan dat de DGA inderdaad werkzaamheden heeft verricht voor het schoonmaakbedrijf en dat de gebruikelijkloonregeling terecht is toegepast.

    Hoogte gebruikelijk loon
    In beginsel kan het loon ten minste op (destijds) € 44.000 worden gesteld, tenzij de DGA aannemelijk maakt dat dit bedrag te hoog is. Omdat de Belastingdienst de inkomenscorrectie al heeft beperkt tot € 20.000, toetst de rechter of dit bedrag te hoog is voor de verrichte werkzaamheden.

    De DGA voert aan dat het gebruikelijk loon verminderd dient te worden naar € 1.500. Hij heeft geen bestuurstaken verricht en heeft maximaal 10 uren per maand werkzaamheden verricht waarvoor een uurloon van € 12,50 passend is. Dit uurloon is hoger dan het bruto uurloon van de meest verdienende werknemer bij deze BV.

    De rechter gaat hier niet in mee. De DGA maakt zijn stelling over de hoogte van het uurloon niet aannemelijk. De DGA is middellijk aanmerkelijk-belanghouder en mede-beleidsbepaler. Hij heeft werkzaamheden verricht en hier dient een adequate beloning tegenover te staan. Gelet op de hoogte van de omzet, de hoogte van de personeelskosten en het aantal personeelsleden, acht de rechter het ook niet aannemelijk dat de continuïteit van de onderneming in gevaar zou zijn gekomen indien het gebruikelijk loon zou zijn voldaan aan de DGA.

    De rechter ziet geen enkele reden voor matiging van het in aanmerking te nemen gebruikelijk loon.

    Let op: Het lijkt er in deze zaak op dat partijen de werking van de wettelijke gebruikelijkloonregeling zijn vergeten. In dit geval was de Belastingdienst bereid de bijtelling alsnog met meer dan 50% te verminderen. Strikt noodzakelijk was dat niet.

  • 26-08-2022 // Kosten auto van de zaak op vakantie

    Soms kunnen werknemers hun tankpas niet in het buitenland gebruiken. Omdat deze niet wordt geaccepteerd of omdat tanken in het buitenland volgens de werkgever altijd privé is. De kosten van brandstof, tol, parkeren en eventuele reparaties zijn dan voor eigen rekening van de werknemer. Verlagen deze kosten de bijtelling voor privégebruik?

    De werkgever mag deze betalingen aan derden onder de volgende voorwaarden als eigen bijdrage op de bijtelling in mindering brengen:

    • Werkgever en werknemer komen vooraf, bijvoorbeeld in de autoregeling, overeen dat de werknemer deze betalingen voor of namens de werkgever doet.
    • De werknemer specificeert de (omvang van de) kosten voor de werkgever.
    • De werkgever merkt deze betalingen aan als eigen bijdrage voor privégebruik auto.
    • De werkgever vergoedt de betaling niet, maar brengt deze in mindering op de bijtelling.

    Tip: Als de werknemer niet met de auto op vakantie gaat, dan kan hij de auto met de sleutels bij de werkgever inleveren en dit schriftelijk vastleggen. Zo vervalt de bijtelling over de vakantieperiode.    

  • 12-08-2022 // Directeur aan de kant gezet

    In februari start een nieuwe algemeen directeur bij een museum. De zittende commercieel directeur, dan ongeveer vier jaar in functie, ervaart een moeizame samenwerking, die er na enkele gesprekken toe leidt dat hij een voorstel ontvangt om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter wijst de ontbinding toe zonder toekenning van een billijke vergoeding. Een beroepsprocedure bij het gerechtshof volgt.  

    Ontbinding
    Uit notulen, emailverkeer en de verklaringen op de zitting krijgt het gerechtshof de overtuiging dat de verhouding tussen de directeuren inderdaad ernstig en duurzaam is verstoord. De oorzaak ligt enerzijds in een verschil van inzicht over de commerciële koers van het museum, en anderzijds in een verstoorde communicatie. Gezien de functie van commercieel directeur, en mede MT-lid, leidt een verstoorde samenwerking met de algemeen directeur al gauw tot de conclusie dat voortzetting van de samenwerking niet mogelijk is. De kantonrechter heeft dan ook terecht geconcludeerd tot ontbinding.

    Billijke vergoeding
    Het gerechtshof vindt dat het museum ernstig verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van het ontstaan van de verstoorde verhouding. Niet alleen de algemeen directeur, maar ook de voorzitter van de raad van toezicht treft het verwijt dat zij, wetende dat er problemen waren in de samenwerking tussen de algemeen en de commercieel directeur geen serieuze poging hebben ondernomen, eventueel met inzet van een mediator, om tot verbetering van de samenwerking te komen. Het museum heeft overhaast gehandeld door ineens het vertrouwen in de commercieel directeur op te zeggen, waardoor een definitieve breuk uiteindelijk onvermijdelijk was.

    Aan het verstoord raken van de arbeidsverhouding liggen meer oorzaken ten grondslag dan alleen het verwijtbaar handelen van het museum. Zo bestonden er duidelijke verschillen van inzicht over inhoudelijke onderwerpen, en heeft ook de commercieel directeur zich verwijtbaar opgesteld door ondermijnend te communiceren over de algemeen directeur. Het gerechtshof acht een billijke vergoeding van € 60.000,-- bruto redelijk.

    Let op: De werkgever heeft in dit geval geen serieuze pogingen gedaan om de samenwerking tussen de directeuren te verbeteren. Voor het gerechtshof vormt dit de directe aanleiding om een billijke vergoeding toe te kennen. 

  • 12-08-2022 // Sanering bedrijf en Belastingdienst

    De coronacrisis heeft aanzienlijke en uitzonderlijke gevolgen gehad voor Nederlandse ondernemers. De Belastingdienst voert daarom een ruimhartig uitstelbeleid. Bovendien zal de Belastingdienst in minnelijke saneringsakkoorden tijdelijk genoegen nemen met een lager uitkeringspercentage. Hiermee wordt de totstandkoming van minnelijke saneringsakkoorden bevorderd.

    Tijdelijke tegemoetkoming nasleep coronacrisis
    De Belastingdienst neemt in de periode van 1 augustus 2022 tot 1 oktober 2023 in minnelijke saneringsakkoorden genoegen met een lager uitkeringspercentage.

    Het betreft een tijdelijke tegemoetkoming die in de eerste plaats is bedoeld om in de kern gezonde ondernemingen met een problematische schuldenlast extra te ondersteunen in de nasleep van de coronacrisis. Daarnaast wil het kabinet voorkomen dat in de kern gezonde ondernemingen die steun hebben genoten, nu alsnog failliet gaan, waardoor de verleende steun in feite verloren zou gaan.

    De Belastingdienst neemt tijdelijk genoegen met ten minste hetzelfde uitkeringspercentage als hetgeen aan concurrente crediteuren op hun vordering wordt aangeboden in minnelijke saneringstrajecten. Dit vergroot de overlevingskansen van in de kern gezonde ondernemingen en biedt de ondernemer perspectief. Het tijdelijke karakter van de maatregel brengt de directe relatie met de coronacrisis tot uitdrukking. De maatregel is alleen van toepassing op minnelijke saneringstrajecten waarbij de onderneming wordt voortgezet. 

    De maatregel is ook van toepassing in situaties waarin de ontvanger al had ingestemd met een akkoord, maar het akkoord desondanks toch aan de rechtbank wordt voorgelegd met het verzoek het akkoord aan de gezamenlijke schuldeisers op te leggen, respectievelijk het akkoord te homologeren.

    NOW- en TVL-schulden
    NOW- en TVL-terugvorderingen komen voort uit de gehanteerde voorschotsystematiek die noodzakelijk was om ondernemers snel van steun te voorzien ten tijde van de coronapandemie. Deze terugvorderingen zijn voor ondernemers daarom lang niet altijd te voorkomen of het gevolg van verwijtbaar handelen. Omdat de NOW en TVL subsidies zijn, gelden er strengere regels ten aanzien van kwijtschelding. Het zou wrang zijn als een door corona gedupeerde ondernemer, die aan alle overige voorwaarden voldoet en in de kern financieel gezond is, alleen vanwege een NOW- en/of TVL-schuld niet in aanmerking zou kunnen komen voor sanering van zijn schulden, inclusief de belastingschuld.

    Om dit te voorkomen, is nu geregeld dat de Belastingdienst toch akkoord kan gaan met een saneringsakkoord als een of meer publieke schuldeisers, die een vordering hebben die vanwege Europese Staatssteunregels niet mag worden kwijtgescholden, niet meedoen aan het saneringsakkoord. Dit geldt echter niet als de vordering vanwege het verwijtbaar handelen of nalaten van de belastingschuldige is ontstaan of onbetaald gebleven.

    Let op: De regeling bij NOW-en TVL-schulden is niet tijdelijk. Het is namelijk niet te voorzien hoe lang er nog ondernemers zullen zijn met NOW- en TVL-schulden.

Wat uw plannen ook zijn...

FR Accountancy helpt u graag verder!

Neem contact op